In het Thai kom ik een fenomeen tegen dat we in het Nederlands ook wel kennen, al hebben we er zelf geen erg in: kleine woordjes die op verschillende plaatsen in een zin kunnen opduiken en die (vaak hele kleine, soms grotere) veranderingen in de betekenis van de zin aanbrengen. Geen echte grammatica, geen eenduidige uitdrukkingen, eerder iets dat ertussenin zit.

Wanneer ik in de les hier vragen over stel gaat het over iets wat we hetzij in de schoolteksten lezen, hetzij in de zelf meegebrachte tijdschriften, maar wat niet in de leerstof is opgenomen. Er komt niet altijd een bevredigend antwoord op. Ik zou graag de mechanismes erachter willen begrijpen, zodat ik ze zelf kan toepassen, maar de lerares, ook al heeft ze een paar jaar in Engeland gewoond (en is ze dus wat ruimer van geest dan de ‘standaard Thai’) en ook al ziet ze mijn vragen als een uitdaging, is er niet voor opgeleid en niet op voorbereid.

Het lijkt me de moeite waard eens in het Nederlands te kijken naar zinnen waarin iets vergelijkbaars gebeurt en waar buitenlanders over kunnen struikelen.

Stel je voor dat je buitenlander in Nederland bent, en je bent enthousiast aan het inburgeren. De makers van je talencursus hebben een opmerkelijk inlevingsvermogen aan de dag gelegd en kennelijk aan alles gedacht. Je hebt al geleerd wat je moet zeggen om een strippenkaart te kopen of om bij het postkantoor een fax te versturen (want taallessen lopen standaard een beetje achter), je weet dat je dag moet zeggen als je een winkel uitloopt, je kunt een tafel reserveren in een restaurant en een afspraak maken bij de kapper, en je hebt geleerd hoe je in een winkel vraagt om twee kilo aardappelen en een halfje volkoren, ook al doe je je boodschappen net als iedereen in de supermarkt, waar je met niemand een woord hoeft te wisselen. En dan zegt op een gegeven moment één van je Nederlandse vrienden tegen je:

Ik doe het zo wel even, hoor.

Er is een goeie kans dat een buitenlander de woorden kent maar van de zin geen worst kan maken. Want zo betekent normaal: op die manier, wel is een tegenstelling van: niet, even betekent: korte tijd (het duurt maar even) of komt voor in vergelijkingen (even groot als) en hoor is een bijna-synoniem van: luister. Bovenstaand zinnetje kan dus worden vertaald als: ik doe het op die manier, ik verzeker het je, maar niet lang, luister.

Toegegeven, de woorden die niet altijd duidelijk zijn worden in het dagelijks leven zo vaak gebruikt dat ze uiteindelijk vanzelf begrepen worden. Maar dat betekent niet dat ze door wie de taal leert ook meteen goed gebruikt worden. Dus hoe leg je uit in welke situaties je woorden als ‘even’, ‘hoor’ en ‘wel’ zoal kunt gebruiken, of juist niet? Dat valt helemaal niet mee, hoor.

Nog wat voorbeelden waarin de woorden niet altijd betekenen wat ze betekenen. Voor ons klinken ze het-kan-niet-natuurlijker, maar wie ze woord voor woord vertaalt kan makkelijk voor raadsels komen te staan:

Nou zeg, ik kan het echt wel zelf.
Dat kun je dus mooi vergeten, hè.
Is dat nou wel zo verstandig?
Ik zou nog maar eens even gaan kijken.
Dat weet je toch zelf ook wel?

Hoe leg je uit aan iemand die deze constructies probeert te begrijpen en die ze zelf ook wil toepassen hoe dit allemaal werkt? Om te voorkomen dat-ie zinnen maakt als:

Niet even doen, hoor!
Je zou het nou maar mooi vergeten, hè.
Ik wilde brood kopen, maar het was echt wel op.
Enz…

(naschrift: en dan moet je ook nog uitleggen dat in een constructie die ik hoor op BVN:
Je hebt toch zoiets van… ja,
je
moet worden vertaald met ik, toch net zo goed weggelaten kan worden, zoiets hebben van… de opvolger is van denken, en ja geen antwoord is op een vraag, maar eerder een niet-uitgesproken bekentenis dat dat denken nog niets heeft opgeleverd)