We zijn dan wel – min of meer noodgedwongen, i.v.m. de toeristendrukte waar ik eerder al over schreef, en erg tegen onze gewoontes in – een programma aan het afwerken dat we in Yangon hebben laten vastleggen, en we zitten nu tussen groepen Italianen die in hun eigen taal meer brood bij het ontbijt bestellen, Engelsen die met allemaal dezelfde fietshelm op aan een tocht langs de pagoda’s beginnen en Duitsers en Nederlanders in afritsbroeken en met safarivesten, dat weerhoudt ons er niet van met grote teugen te genieten. Bagan is prachtig en hoe dan ook een bezoek waard.

‘s Morgens bij zonsopkomst.

Ja, Bagan is prachtig, en ja, het onbevangene is er wel van af. De Birmanen die we tegenkomen zijn bijzonder lieve mensen. En ze laten ons op hele lieve wijze merken dat we wat voor ze kunnen doen – door afstand te doen van een deel van de rijkdom die we bij ons hebben. Geef ze eens ongelijk, ze zijn door hun leiders praktisch tot de bedelstaf gebracht, en dan komt opeens, als manna uit de hemel, de oplossing met bussenvol tegelijk bij je langs.

Deze vrouwen zitten hun traditionele, zelfgemaakte ‘sigaretten’ te roken bij de ingang van een tempel. Die plaats is niet toevallig…

Kleine meisjes, niet ouder dan vijf, kijken je aan met van die ogen… en houden dan ‘zelfgemaakte’ ansichtkaarten omhoog. Als ze iets ouder zijn hebben ze al geleerd je te vertellen hoe bjoetifoel je bent en komen de ansichtkaarten pas nadat ze je wat Birmaans bijgebracht hebben. Jongens zijn wat directer. Na de school worden jongens door hun ouders naar de universiteit gestuurd om een taal te leren en, daarmee gewapend, gids te kunnen worden. We hebben verbaasd geluisterd naar gidsen die hele verhalen aan het houden waren in niet altijd makkelijk herkenbare talen, maar waar in ieder geval Engels, Duits, Spaans, Italiaans, Russisch en Japans bij zaten.

Op Charlotte’s wangen wordt het geel-witte ‘spul’ aangebracht waaraan Birmaanse vrouwen ook buiten hun land te herkennen zijn. Het wordt gemaakt van de fijngemalen bast van een bepaalde boom, en lijkt te dienen als bescherming van de huid en als verfraaimiddel.

Iedereen verdient mee aan de bezoeker. Wie niet in een hotel werkt staat voor de ingang ervan met koopwaar te wachten tot een reisgezelschap naar buiten komt, of bij de ingang van een tempel. Of is koetsier, rijdt bezoekers rond over de stoffige, onverharde wegen die de tempels met elkaar verbinden. Of komt naar ze toe om heel even, heimelijk, een stukje doek open te vouwen met daarin een smaragd of een robijn. Of biedt gekoelde drankjes aan, leidt mensen rond langs ambachtelijke activiteiten in eigen huis. Wie te oud is om iets anders te doen kan altijd nog poseren voor de foto.

Zesentachtig jaar oud. Ik dacht haar een plezier te doen door haar een foto te laten zien die ik net genomen had. Haar antwoord klonk alsof ik al de tweeduizendste was die dat deed, maar ze lachte er evengoed bij: ‘Bjoeoeoetifoel’!

Nogmaals, ik begrijp dat iedereen doet wat-ie kan om mee te verdienen aan de beste bron van inkomsten die ze in lange tijd gehad hebben, je kunt het niemand kwalijk nemen. Zelf voel ik me er ongemakkelijk bij. Maar het is nu eenmaal zo. De natuurwetten die aan het werk zijn in Myanmar’s belangrijkste toeristische attractie doen even feilloos hun werk als ze dat al elders gedaan hebben. Het hoort erbij.

Komt een boerin aan op een door twee runderen getrokken kar. We zetten onze fietsen aan de kant om het smalle zandpad voor haar vrij te maken. Ze lacht met een gulle boerinnenlach. Ze spreekt zelfs Engels: ‘Money please’.