Terugblikkend op de paar dagen die we doorbrachten aan het Inlemeer blijven mijn gedachten onwillekeurig keer op keer hangen bij een tweetal fenomenen waar we in eerste instantie om moesten lachen maar die achteraf tot nadenken stemmen.

Vanuit het dorp Nyaung Shwe is het Inlemeer per boot bereikbaar via een brede vaargeul waarin de voor het meer kenmerkende lange, ranke vaartuigen af en aan varen. Ze worden gebruikt voor het transport van de op en om het meer verbouwde tomaten en de in deze tijd talrijke toeristen. Zoals wij. We huurden één van die boten om het meer op te gaan.

Waar de vaargeul overgaat in het meer lagen een aantal kleinere bootjes te dobberen, met daarop de vissers die onze bootsman/gids als eerste bezienswaardigheid had beloofd. Inderdaad hadden ze allemaal een fuik bij zich, maar met welke fase van het vissen ze bezig waren was niet duidelijk. Dat kan, vissen gebeurt onder water, dat zie je niet, tenzij er juist iets gebeurt wat zowel het bovenwaterse als het onderwaterse aangaat: fuiken en netten worden geplaatst, de vangst wordt binnengehaald.

De visser doet kunstjes.

We voeren een rondje om de vissers heen, die dat niet scheen te deren. Integendeel: één van hen toonde ons zijn behendigheid door op één been op het minuscule platvormpje achter op zijn bootje te balanceren en tegelijk een fuik op te houden. Kijk, hij doet kunstjes, dachten we nog. Knap, hoor. En grappig dat ze ons dat laten zien. We voeren door, we hadden nog een vol programma af te werken.

Aan het eind van de dag kwamen we, voordat we de vaargeul weer invoeren, nog eens langs de vissers. Bij één van hen lag een boot met een groep buitenlanders, die allemaal met hun portemonnee bezig waren. Er begon een lichtje te branden. Ook wij zetten koers naar één van de vissers, die bij onze nadering spontaan leuke poses aannam. Eerst hield hij zijn roeiriem in een soort roeihouding, daarna hield hij één van de twee vissen die in zijn bootje lagen omhoog. Ten slotte nam hij onze bijdrage voor het schouwspel in ontvangst.

Lucratiever dan vissen…

Want een schouwspel was het, natuurlijk. Hij speelde, wij schouwden. Het begon ons te dagen dat deze vissers niet toevallig bij de ingang van het meer lagen, en dat het niet toevallig was dat we ze helemaal niet hadden zien vissen. Deze vissers visten helemaal niet.

We passeerden ze de volgende dag opnieuw, op weg naar de drijvende markt. Deze keer hielden we niet in, we hadden al gezien wat er te zien was.

Het was een flink eind varen naar de drijvende markt. Vijfendertig minuten had de bootsman gezegd, maar ja. Gisteren bij de drijvende tomatenvelden had hij nog vol overtuiging gemeld dat het meer er tien meter diep was en als bewijs zijn bamboestaak in het water gestoken, die na krap twee meter de bodem vond. Maar och. Na een uur varen bereikten we een smal watertje dat we invoeren. Geen andere boten te zien, niets dat op een markt leek. Uiteindelijk meerden we ergens aan waar op het land een verzameling souvenirkraampjes te zien was.

‘Eh, drijvende markt?’ vroegen we onze bootsman. Hij zei iets, kennelijk in antwoord op onze vraag, maar behalve ‘rainy season’ en de uitgestoken vinger naar het water was het Chinees voor ons. Birmanen doen interessante dingen met de Engelse taal, dingen die we niet eerder gehoord hebben, en onze bootsman, een bijzonder vriendelijke, immer zijn door de betel rood gekleurde tanden bloot lachende man, was grotendeels onverstaanbaar. Hij herhaalde wat hij had gezegd. We knikten bedachtzaam. Ga maar kijken, gebaarde hij, stap hier maar uit. We gebaarden van nou nee, laat maar.

Geen probleem, we voeren verder, een bocht om, en kwamen op iets groter water, waar andere boten met toeristen wachtten op een kans om aan te meren, ieder geflankeerd door een klein bootje van waaruit snuisterijen werden getoond aan mensen die in eerste instantie met het hoofd schudden, dan toch een steelse blik wierpen en ten slotte in onderhandeling gingen. De markt op het land was van hieruit beter te zien. Er waren meer souvenirkraampjes dan we eerst hadden gezien. Laten we terug gaan, we hebben het hier wel gezien, zeiden we tegen onze bootsman. Hij lachte en startte de motor. Tijdens de terugtocht passerden we tientallen in tegengestelde richting varende bootjes met toeristen, die kennelijk wat later waren vertrokken dan wij en die allemaal op weg leken naar de drijvende markt op het land.

Voordat we het meer verlieten passeerden we wat dobberende bootjes met fuiken. We stopten niet, we voeren er voorbij.

Charlotte vraagt me wat ik aan het typen ben, en zegt: je gaat toch geen negatief stukje schrijven, hè? Want we hebben het best naar onze zin in dit land, en een negatief stukje zou een verkeerde indruk wekken. Maar nee, het is niet mijn bedoeling iets negatiefs te schrijven, dit waren eerder grappige voorvallen, het is grappig te zien hoe vissers kunstjes gaan doen omdat dat meer oplevert dan vissen, en hoe drijvende markten het land op gaan, ongetwijfeld omdat er op die manier meer verdiend kan worden. Grappig, toch? Of…?

Zo ziet het eruit als er echt gevist wordt.

Dit is evolutie. Hier hoef je helemaal geen oordeel over te hebben, dit gebeurt, het volgt eigen wetten. En, niet te vergeten: dit is waar wij naartoe gebracht worden, dit is maar een heel klein stukje van het land dat we aan het bezoeken zijn. Een toneel, een schouwplaats. Je moet er niet teveel achter zoeken.

Elders wordt gevist zoals altijd, elders wordt gehandeld zoals altijd. In Kalaw, waar we de afgelopen paar dagen doorbrachten, kwamen van heinde en verre mensen vanuit de heuvels naar het dorp om te verkopen wat ze hadden verbouwd en te kopen wat ze nodig hadden. We liepen ertussen rond, werden opgemerkt en met rust gelaten. Wat daar gebeurde ging niet om ons.

Het gaat niet om ons.

Hier hebben we misschien één van de belangrijkste verschillen tussen toerisme en reizen zoals wij dat graag doen. In het toerisme gaat het in essentie om de bezoeker, die bediend wordt en aan wie verdiend wordt. De toerist koopt een reis en verwacht waar voor zijn geld. Bij wat ik reizen noem gaat het niet om de bezoeker, maar om de rest van de wereld.

Als toeristen komen we kijken naar ‘vissers’ die de clown uithangen en daar betalen we voor. Als reizigers hopen we in de gelegenheid gesteld te worden iets te leren van de werelden die zich voor korte tijd met de onze verweven. De toerist is een consument, de reiziger is een leerling.

Er zijn heel wat werelden waar we geen weet van hebben, meer waarschijnlijk dan we ooit kunnen vermoeden. Af en toe een tipje van de sluier op te lichten, af en toe daarin, al is het maar even, mee te mogen doen, daarvan te mogen leren – dat is een groot voorrecht.

Het is niet altijd mogelijk deze twee manieren van onderweg zijn (als toerist en als reiziger) uit elkaar te houden en we wisselen ze zelfs bewust af.

En afwisselen, daar heb ik wel weer zin in. Even geen souvenirs tegenkomen, even kijken of we toegang hebben tot delen van het land waar de mensen ons met welwillende onverschilligheid bekijken. De afgelopen dagen gingen al aardig die kant op. Het kan.