Ah, geweldig – zo moet je reizen, dit is beter, nou tokke we. Niks nachtbus, gewoon overdag, in een bus met open ramen, zonder tv en dus zonder Birmaanse films, met een sukkelgangetje, terwijl de warme buitenlucht met vlagen tegen je aan wappert en je op je gemak het landschap aan je voorbij kunt laten trekken. Zolang het maar niet te lang duurt: dik zes uur is deze rit van Kalaw naar Mandalay, en dat is prima.

Na twee keer een slapeloze nacht te hebben doorgebracht in min of meer moderne bussen met – niet nodige – airconditioning en onbegrijpelijke films, niets van het landschap gezien te hebben en overdag de gemiste slaap ingehaald te hebben, overhandigden we de sleutels van onze hotelkamer aan de receptioniste om op de derde nachtelijke busrit te gaan wachten. Het was twaalf uur ‘s middags, de reis zou beginnen om negen of tien uur ‘s avonds. De kamer langer aanhouden was niet mogelijk, het hotel was volgeboekt. We maakten ons op voor een lamlendige middag en een vermoeiende avond, om over de nacht nog maar te zwijgen. Na aankomst in Mandalay, in de vroege ochtend, zouden we nog een paar uur moeten wachten op een auto die ons nog wat verder zou brengen. We leken wel gek. Maar dit maakte nog steeds deel uit van wat we in Yangon hadden gereserveerd, het beste wat op dat moment te regelen was.

Het was Charlotte die op het idee kwam om toch eens in de buurt te gaan informeren of er niet toevallig nog plaats was in een bus de volgende ochtend, en in een hotel tot die tijd. Het was snel genoeg gebeurd: het kon. Joehoe.

Uitgerust stapten we de volgende ochtend in een bus die al geleefd had en ongetwijfeld van alles had meegemaakt. Hij was grotendeels volgeladen met balen groente, waardoor niet meer dan twaalf stoelen beschikbaar waren. Twee ervan, op de tweede rij, waren voor ons. Vóór ons zat, breeduit over twee stoelen, een oudere, goed in het vlees zittende monnik, verder waren er nog wat jonge Birmanen. De bus was niet eens vol, en toch, zo was ons verteld, was dit de enige die vandaag overdag zou rijden. Het schijnt dat Birmanen liefst ‘s nachts de bus nemen, om geen werkdag te hoeven missen. Tja, dat kan.

Hijgend kronkelde ons voertuig over een smalle bergweg naar beneden. Het vroege-ochtendlicht was prachtig, we genoten van onze eerste blikken op het Birmaanse landschap. De chauffeur, die boven zijn longyi, de traditionele lendedoek die bijna alle Birmanen dragen, een voetbalshirt droeg met het rugnummer 10 en de naam Rooney, remde af en toe abrupt, al was het niet zeker dat dat aan hem lag.

Een verontrustend gezicht, als dit je chauffeur is. Foto: Charlotte

Tijdens de afdaling werd gestopt op een plek waar het overige verkeer ons zou kunnen passeren. Rooney stapte uit met wat handgereedschap en liep naar achteren. Na enig aarzelen volgden we zijn voorbeeld, om te zien wat hij was gaan doen. We troffen hem liggend onder de bus aan, druk bezig met de achterwielen die hoog genoeg waren opgekrikt om vrij te kunnen draaien. Om de voorwielen lagen blokken. Charlotte stelde me vragen waar ik het antwoord niet op wist.

Maar tegen de tijd dat de rit werd voortgezet werd een stuk rustiger geremd, en we bereikten het dal waar, zoals dat gaat in dalen, een rivier stroomde en de tekenen van menselijke bewoning toenamen. Vrouwen met rijstkommen langs de kant van de weg, kinderen die buiten speelden, honden waar omheen gelaveerd moest worden, af en toe maisvelden.

Na een vlakte die niet lang vlak bleef en een nieuwe, bescheiden heuvelrug waar in een steengroeve hoofdzakelijk met spierkracht stenen werden vergruisd om als onderlaag van een nieuwe weg te kunnen dienen (we zagen verderop hoe dat door een heel leger mannen en vrouwen werd verspreid) opende het landschap zich opnieuw en kon wat harder gereden worden. Niet te hard: de weg was nog steeds zo smal dat twee voertuigen elkaar nauwelijks konden passeren. Personenwagens waren er nauwelijks, het verkeer bestond hoofdzakelijk uit enkele vrachtwagens die geen haast hadden om ergens aan te komen en bussen die zo vol zaten dat de laatste passagiers enkel nog plek op het dak hadden gevonden. Bijna alles wat reed had het stuur rechts zitten, wat inhalen avontuurlijk maakt in een land waar rechts gereden wordt. Maar geen nood: vrachtwagenchauffeurs gaven behulpzaam met hun knipperlichten aan wanneer veilig kon worden ingehaald, wat met de geringe drukte nooit lang duurde.

Toen een surreële verschijning: de weg was opgebroken omdat werd gewerkt aan een verbreding waarin al de contouren van tolpoorten te zien waren. Een onverhard stuk weg leidde eromheen, en erachter ging dezelfde smalle weg weer door.

We stopten voor een korte pauze bij een tankstation, waar twee mannen bezig waren met het overpompen van de in olievaten aangeleverde benzine naar de reservoirs van het tankstation. Ieder vat, dat door een op een benzinemotor werkende pomp werd leeggepompt (zo krijgt het woord benzinepomp een nieuwe betekenis…) werd daarna met de hand omgekeerd boven een open vat om de laatste druppels op te vangen.

De weg werd drukker, en breder, de tolpoorten kwamen regelmatiger. Nog steeds geen personenwagens, wel ossenkarren, fietsen, brommers. Mensen die zonder op of om te kijken de weg overstaken, brommers die zonder op of om te kijken de weg op reden. Onze chauffeur deed wat we in Zuidoost-Azië zelden mensen zien doen: hij anticipeerde, zag mogelijke gevaren aankomen en hield in of week uit, lang voordat een situatie uit de hand kon lopen.

We stopten nog ergens om te eten. Ik hoefde maar te gebaren dat we hetzelfde wilden als de anderen, het zorgde voor instemmend gelach om ons heen, en we hadden snel een tafel vol staan met gerechten die een stuk beter smaakten dan ze eruit zagen. De oudere monnik had als eerste te eten gekregen, in zijn eentje zittend aan een tafel in een hoek, terwijl een jongere monnik, die later was ingestapt en wie de oudere geen blik waardig had gekeurd, als tweede aan de beurt was geweest. Wij waren als laatste aan de beurt, mede doordat geen van de personeelsleden kennelijk raad had geweten met mensen van wie ze de taal niet spraken. We bevestigden ons ‘vreemdeling zijn’ nog een beetje door kennelijk allebei naar de verkeerde wc te gaan (op de deuren stonden Birmaanse tekens, achter de deuren zaten identieke hurktoiletten), maar ook dit werd begroet met gelach.

En na zes uur die waren voorbij gevlogen reden we Mandalay binnen. Vervoer naar het anderhalf uur verderop op een hoogvlakte liggende Pyin Oo Lwin was snel geregeld, en halverwege de middag kwamen we aan in een hotel waar we met ah-daar-zijn-jullie blikken werden verwelkomd en onze kamer al klaar voor ons was. Nee echt, ‘s morgens vertrekken, overdag rustig voortsukkelen en uit het raam kijken, aan het eind van de dag aankomen en dan de douche in duiken – dat heeft wel wat, dat gaan we vaker doen. Wat een vondst.