Kraakheldere lucht, plezierig klimaat, veel oude, grote huizen en oude, statige bomen: in Pyin Oo Lwin is het goed toeven.

In de botanische tuin van Pyin Oo Lwin

Na op de eerste dag het stadje te hebben verkend en de botanische tuin te hebben bezocht begonnen we de tweede dag zonder duidelijk plan. We hadden gezien dat er in Pyin Oo Lwin meerdere banken waren, en aangezien tegenwoordig (in tegenstelling tot nog maar kort geleden) in banken een relatief goede wisselkoers wordt gegeven voor de Amerikaanse dollars waarvan de bezoeker noodgedwongen hele pakketten bij zich heeft leek het me een goed idee wat van onze dollars te gaan omwisselen voor de kyats waar hotels hun neus voor ophalen maar waarvan je voor andere uitgaven beter stapels bij de hand kunt hebben. Maar wat zouden we daarna doen? Het bleek niet nodig een antwoord op deze vraag te zoeken, het wisselen van geld was een mooie opdracht om de dag mee te vullen.

Als illustratie bij dit verhaal wat foto’s die er niets mee te maken hebben, behalve dat ze ook in Pyin Oo Lwin genomen zijn. Er was een neushoornvogel die liefdevol in mijn arm zat te bijten (deze foto van Charlotte)…

We parkeerden onze huurfietsen voor de eerste de beste bank en liepen naar binnen. O nee, zover kwamen we niet. Bij de deur werden we tegengehouden door iemand die vroeg wat hij voor ons kon doen. Geld wisselen, zeiden we. Kan niet, antwoordde hij, hier niet. Waar dan wel? Wist hij niet. Een omstander bood hulp: in keurig Engels, met een Indiaas accent verwees hij ons naar de ‘government bank’, een stukje verderop, tegenover de bioscoop. Wij die kant op.

Voordat we een bioscoop of een ‘government bank’ gezien hadden kwamen we bij een vork in de weg, waar we schuin links of schuin rechts verder konden gaan. Dilemma. Het werd schuin rechts. We kwamen langs een ‘café-bakery’ en dachten er goed aan te doen daar langs te gaan. Omdat ze koffie hadden, en omdat er vast wel Engels gesproken werd.

Dat was ook zo, zij het niet erg vloeiend. Het meisje wist wel waar de ‘government bank’ was: rechtdoor, waar we al naar op weg waren. Voor de zekerheid vroeg ik haar ‘government bank’ in het Birmaans op te schrijven, voor het geval dat we onderweg nog eens moesten vragen. Ze schreef het voor ons op. Iets later kwam ze zich verontschuldigen: ze had per ongeluk ‘national government’ opgeschreven, mocht ze nog even het goeie schrijven?

Iets verderop was weer een bank. Voor de zekerheid maar even kijken. Weer niet verder gekomen dan tot de deur. Geld wisselen? Nee, hier niet. Waar dan wel? Bij wijze van antwoord werd gewezen in de richting waar we vandaag gekomen waren, en werd iets gezegd dat klonk als: close tower. Close tower? Ik kon er niets mee, Charlotte wel. Dat was waar ook, Birmanen veranderen een k aan het eind van een woord in een s. Close tower moest dus zijn: clock tower. Maar tot nu toe hadden twee mensen de andere kant op gewezen. We besloten de meerderheid het voordeel van onze twijfel te geven.

Om de paar honderd meter stopten we om de weg te vragen, deze keer door mensen te laten lezen wat het behulpzame meisje had opgeschreven. Ik vroeg het bij voorkeur aan groepjes mensen, zodat ze elkaar konden verbeteren als dat nodig was. Het was niet nodig: iedereen bleef ons verder door wijzen, meestal rechtdoor, soms iets verderop rechtsaf of linksaf, maar nooit terug, altijd verder.

Helemaal gerust waren we er niet op: banken verwacht je in het centrum, en wij waren onmiskenbaar steeds verder van het centrum weg aan het rijden. Aan één man die redelijk Engels sprak vroeg ik nog: staat hier ‘government bank’ geschreven? Het antwoord was bevestigend. Gelukkig.

… heel voorzichtig een moedervlek van de rug van mijn hand probeerde te trekken, …

We kwamen door villawijken, langs een meer, en uiteindelijk hield de bebouwing helemaal op. Bij een themapark met schaalmodellen van wereldberoemde Birmese bouwwerken liet ik voor de zoveelste keer mijn tekst zien, waarop de man enthousiast begon te knikken. Je bent er, gebaarde hij, hier is het. Ik schudde het hoofd in ongeloof. Nee, nee nee, dit kan niet waar zijn. Ja, ja ja, knikte hij nog steeds enthousiast, het is waar!

We fietsten terug. Door een wonder vonden we in het centrum een kantoortje met het opschrift: tourist information. Of nee, dat was geen wonder, er was immers geen gebouw, geen opschrift dat aan onze speurende blikken had kunnen ontsnappen.

Ja, de mevrouw in dat kantoor herkende ons probleem. Geld wisselen, hè? Daarvoor moesten we bij de CB-bank zijn. Ah, die hadden we gezien, het was de enige bank waar we nog niet gestopt waren. Wij erheen.

Bij de deur stond weer zo’n ik-denk-niet-dat-ik-jullie-kan-helpen figuur, die vroeg hoe hij ons kon helpen. Nee, we zijn pas twee weken open, zei hij, hier kan nog geen geld gewisseld worden.

Er kwam een einde aan onze zoektocht. Iemand zei opeens: hiernaast, bij de telefoonwinkel, daar wisselen ze wel geld. Het was waar. We kregen er geen goeie wisselkoers en hadden waarschijnlijk net zo goed in ons hotel kunnen wisselen, al aan het begin van de dag. Maar dan hadden we geen verhaal gehad.

… maar ook geduldig poseerde.