Het spoor heeft betere tijden gekend…

Het bevalt ons prima om weer ons eigen plan te trekken, en we zijn in een deel van Birma waar dat ook kan. Terwijl we verhalen horen over nog steeds stijgende hotelprijzen in Yangon en over mensen die in Bagan of Nyaung Shwe (aan het Inlemeer) aankomen en er geen onderdak vinden treffen we buiten het toeristisch epicentrum de rust en schoonheid aan van streken die, zo lijkt het, niet door de veranderende tijden beroerd zijn.

Vanuit Pyin Oo Lwin vertrokken we op een zonnige ochtend zonder noemenswaardige vertraging (drie uur is voor een trein die eens per dag langskomt niet noemenswaardig) naar het zes uur verderop gelegen Hsipaw (spreek uit: Tiboh, of Siboh, of Sipoh). Weliswaar is dat traject per bus een stuk sneller af te leggen, maar dan mis je één van de hoogste en meest spectaculaire spoorbruggen ter wereld.

We waren al gewaarschuwd dat het geen erg comfortabele rit zou worden. Op aanraden van iemand die het weten kon bonden we onze bagage vast aan de rekken boven onze hoofden, om te voorkomen dat die naar beneden zou vallen. En zo schommelden, schudden en schokten we met wat waarschijnlijk onder de omstandigheden nog net een verantwoorde snelheid was oostwaarts. Links en rechts viel niet vastgebonden bagage uit de rekken. Het landschap werd grotendeels aan het zicht onttrokken door hoge struiken met grote gele bloemen, terwijl de wagon zich vulde met de geur van delen van die struiken die door de open ramen werden gesnoeid. De trein vocht zich door een haag van begroeiing, die iedere dag opnieuw probeerde terrein op te eisen, en iedere dag opnieuw op zijn plek werd gewezen.

De spoorbrug was, zoals gezegd, spectaculair en in zijn eentje de hele rit waard. En wel hierom:

Zicht vanaf de spoorbrug op de rivier, ver in de diepte.

Hsipaw is de moeite waard om wat langer door te brengen.

Vijfenzestig is ze, ze woont in haar eentje in een hutje aan de rivier. Ze vond Charlotte leuk, zat voortdurend aan haar, liet haar lachend de enige kies zien die ze nog had en gebaarde dat ze met haar op de foto wilde.

We ontdekken de omgeving te voet en per boot, blijven verrukt over de vriendelijkheid van de mensen. Dit is Shan-gebied, en zoals ook andere etnische minderheden hebben de Shan in de afgelopen decennia zwaar geleden onder het juk van het centrale militaire bestuur. We horen verhalen over lange gevangenisstraffen voor zulke vergrijpen als ‘het illegaal in contact treden met buitenlanders’ of ‘het beledigen van het leger’. Onder de glimlach gaat ook hier van alles schuil, en we kunnen alleen maar hopen dat de ingezette hervormingen stand houden.

Tot slot van dit korte stuk nog een foto van de ochtendmarkt, die naar men zegt om een uur of twee begint en waar vrouwen uit de omringende bergen hun waar komen verkopen. Tegen de tijd dat de zon opkomt wordt er al weinig meer gehandeld. Sommigen hebben hun brommers volgehangen met koopwaar waarmee ze vervolgens stad en land af gaan, terwijl de marktvrouwen hun waar inpakken om terug naar huis te gaan en, naar ik aanneem, bij daglicht op het land te gaan werken.

Sommigen hebben niet veel te verkopen, en de tijd begint te dringen: met het opkomen van de zon is de markt ten einde.