We hadden gedacht naar Laos te vliegen. Het had makkelijk gekund: Charlotte moest toch nog in Kuala Lumpur zijn voor nog een behandeling aan haar knie (af en toe worden er nog stamcellen in geïnjecteerd om de kraakbeengroei te blijven stimuleren), ik moest er zijn om de sensor van mijn camera te laten schoonmaken. En vanuit Kuala Lumpur vliegt Air Asia rechtstreeks naar Vientiane. Alleen werden die vluchten steeds duurder naarmate we langer aarzelden met reserveren, en bovendien vertrokken ze op een zodanig matineus tijdstip dat we dan om drie uur ‘s morgens hadden moeten opstaan. Dus keken we voor de aardigheid eens naar vluchten naar Phnom Penh. En kijk: ‘s middags vliegen, voor de helft van de prijs vergeleken bij Vientiane. Goed. Dan maar niet naar Laos en van daar naar Cambodja, maar eerst maar naar Cambodja.

Phnom Penh bleek een gemoedelijke stad. Gemoedelijk de boulevard met de brede trottoirs aan de rivier die in het Engels vaak het epitheton ‘mighty’ toegevoegd krijgt, de straten met aan weerszijden lommerrijke bomen, de terrassen die onmiskenbaar Frans aandoen. Gemoedelijk ook het verkeer dat weliswaar druk was maar waarin niemand haast had. Deze gemoedelijke stad, deze wemelende, levende, menselijke stad – was vijfendertig jaar geleden een stad zonder inwoners.

Wat er nu te lezen is over wat er toen allemaal in dit land is gebeurd is geschiedenis. Heldere, goed geschreven verhalen waarin wat de buitenwereld toen helemaal niet geweten heeft wordt verweven met wat toen al wel bekend was, waarin oorzaken en invloeden in verband gebracht worden met hun gevolgen, waarin voor ons duidelijk wordt wat voor de meesten die het overkwam volledig onbegrijpelijk moet zijn geweest.

We bezochten een voormalige school die door de Rode Khmer tot martelgevangenis was omgebouwd en de massagraven buiten de stad waar de ongelukkigen die uiteindelijk alles hadden bekend wat er te bekennen viel ‘s nachts naartoe werden gereden om te worden afgemaakt. En we lazen.

Er was de tweede wereldoorlog geweest, de Japanse overheersing, de beëindiging van de Franse heerschappij. En daarna was de hele regio een spelbord geworden waarop de Chinezen, de Sovjets en de Amerikanen met pionnen heen en weer schoven alsof het om een partijtje Risk ging. Vietnam, dat was altijd al bekend, maar ook Laos en Cambodja werden op grote schaal door de Amerikanen gebombardeerd om de aanvoer van wapens naar Vietnam te blokkeren. Maar dat waren nog schelmenstreken vergeleken bij wat de Cambodjaanse communisten onder Pol Pot in eigen land uithaalden.

Toen de Rode Khmer in 1975 Phnom Penh innam en begon met de vestiging van een arbeidersparadijs werden allereerst stedelingen naar het platteland gejaagd en scholen, handel en bezit opgeheven. Een opleiding hebben, een vreemde taal spreken of een bril dragen kon genoeg zijn om te worden afgevoerd en verhoord, met bijna altijd dezelfde afloop. Tegen de tijd dat de Rode Khmer door de Vietnamezen als represaille tegen aanvallen op Vietnamees grondgebied de heuvels in gedreven werden, in 1979, was ruwweg een kwart van de Cambodjaanse bevolking bezweken aan honger en ziekte of vermoord na te zijn gemarteld.

Het is niet mijn bedoeling een geschiedenisles te geven. Ik schrijf over onze indrukken, vooral over de mijne. Welnu.

Wat we zagen in de gevangenis en de ‘killing fields’ riep vragen op. Eind zeventiger jaren – toen was ik bezig met mijn vliegeropleiding. De naam Pol Pot kenden we toen wel, maar hoeveel wisten we van wat er omging in Cambodja? Niet veel, er was geen buitenlandse pers bij, waarschijnlijk helemaal geen pers. Toen een paar jaar daarna de film ‘The killing fields’ uitkwam schokte die, maar die film was toen al een terugblik. Geschiedenis. En Cambodja was erg ver weg. Zo zijn ook de gevangenis en de killing fields geschiedenis geworden, toeristische attracties, die een kijk bieden op een verleden dat heel vreselijk was, maar al te ver weg om werkelijk te kunnen zijn.

Die onwerkelijkheid werd versterkt toen we daarna weer in de wereld van de levenden kwamen. Aan Phnom Penh is niet te zien dat de stad een paar jaar leeg is geweest, heeft opgehouden te leven. Het leven is er teruggekeerd en lijkt de draad te hebben opgepakt alsof er niet, toen, meer vreselijks is gebeurd dan iemand zich kan voorstellen. Wat Armando ‘schuldige landschappen’ noemde – je moet de gruwel waarschijnlijk zelf hebben meegemaakt om dat te kunnen aanvoelen. Veel van de inwoners van Phnom Penh zijn te jong om het zelf te hebben meegemaakt. En de andere…

Tja, de andere. Wie zijn dat? Wie waren de mensen die indertijd meededen? Wie waren de veelal ongeschoolde jongeren die zich als soldaat in het avontuur stortten? Wie waren de bewakers die anderen kwelden om niet zelf aan een even vreselijk lot te worden onderworpen? Wie waren de mensen die achter dit alles stonden en misschien nog steeds volhouden dat het begin goed was, maar dat het ergens fout is gegaan? Ze lopen nog rond, in deze stad, in dit land, ze zijn niet allemaal dood, daarvoor is het weer te kort geleden. En ze zijn niet herkenbaar, want ze zijn net als iedereen.

De gedachte waarmee ik terugkwam na het bezoek aan deze twee ‘moet je gezien hebben’ schuldige plekken is niet eens: nooit meer communisme, nooit meer een dictatuur accepteren. Er bleef, er blijft één gedachte hangen: dit kan zomaar weer gebeuren, want de mens verandert niet. Nee, sterker nog: dit zal blijven gebeuren, opnieuw en opnieuw. De mens is niet alleen goed, niet alleen. Ik wou dat ik er anders over kon denken.

De tuk-tuk chauffeur die ons er rondreed lachte graag en veel. Hij sprak heel redelijk Engels. Hij was 32. Het leven gaat door.