Visser werpt net uit bij langzaam dovend licht.

Jonge visser werpt net uit bij langzaam dovend licht.

Er zijn eilanden die een bekendere naam hebben dan Don Det, maar die liggen niet op honderden kilometers van zee, midden in een rivier. Onder de rugzaktoeristen die allemaal met dezelfde reisgids rondlopen staat dit eiland in de Mekong, in het uiterste zuiden van Laos, bekend als een ‘moet je gezien hebben’ etappe op de Laos-Cambodja route. Denk ik tenminste – wij lopen nu eens een keer niet met die reisgids rond, maar we treffen op Don Det een groot aantal guesthouses aan, veel westerlingen met rugzakken, en een hele ontspannen sfeer.

Don Det is één van de zogenoemde Vierduizend Eilanden, en hoewel dit aantal niet al te letterlijk genomen moet worden ligt in dit (veertien kilometer brede!) deel van de Mekong een prachtig, onafzienbaar gewemel van net boven het water uitstekende, grotendeels begroeide eilanden en eilandjes. Het toerisme is kennelijk voor de bewoners van Don Det een welkome aanvulling op hun verder schamele inkomsten: juist in de tijd dat de zon iedere dag ongehinderd schijnt en er dus door gebrek aan regen geen rijst verbouwd kan worden komen de bezoekers in groten getale om in hangmatten hangend over het water te staren, en bijna iedere eilandbewoner lijkt een aandeel te hebben in het verzorgen van alles wat die bezoekers nodig hebben.

Bekend tafereel, maar nu met een huurfiets en een 'nieuwe' knie.

Bekend tafereel, maar nu met een huurfiets en een ‘nieuwe’ knie.

We huren fietsen voor een dag om Don Det en het d.m.v. een brug ermee verbonden buureiland Don Khon te doorkruisen. Net als de eerder in Birma en Cambodja gehuurde rijwielen gaat het hier waarschijnlijk om Chinese import: goedkope rommel die voor dwergen gemaakt is, waarvan het zadel op de hoogste stand nog veel te laag staat en waar je dus aan het eind van de dag pijn in je knieën van hebt, maar we hebben dat er voor over.

Het is namelijk erg plezierig over paden te fietsen waar bijna geen gemotoriseerd verkeer rijdt, langs rijstvelden die in deze tijd van het jaar goudgeel staan te verdorren, mannen die bouwen aan iets, vrouwen die de was doen, kinderen die vissen in de rivier.

Waterval in Laos waar vooral Thais massaal naar komen kijken. Maar we waren ze nog net voor... Zoek Charlotte (het kan nodig zijn op de foto te klikken om haar te vinden)

Watervallen waar vooral Thais massaal naar komen kijken. We waren ze nog net voor… Zoek Charlotte (het kan nodig zijn op de foto te klikken om haar te vinden).

Charlotte heeft iets gelezen over een waterval, dus we sturen erop aan. Ik had half gedacht: o, leuk, weer een waterval, en verwachtte iets heuveligs waaruit wat water, eh, viel. Of zo. In werkelijkheid ging het om een passage in de Mekong die opeens een stuk naar beneden valt, en dat doet op zo’n fraaie manier dat je je bijna zou afvragen hoe het kan dat we er foto’s van staan te maken zonder dat daar andere mensen op komen te staan. We lopen er op ons gemak rond, en tegen de tijd dat we teruglopen naar de fietsen…

Er komt een open vrachtwagen aanrijden met daarin vijf banken, op iedere bank vier mensen met stofmaskers op tegen het stof, zonnebrillen tegen de zon, hoeden met het opschrift ‘Thailand’. De vrachtwagen wordt op de bumper gevolgd door nog zo’n wagen vol toeristen, en nog één. Ze horen bij elkaar, het is een Thaise toergroep van zo’n zestig man. Ze verzamelen zich blij bij de ingang, koelboxen worden uitgeladen, foto’s gemaakt door een man met een hoedje met vleugels op die bij aankomst meteen van de wagen was gesprongen om te fotograferen. Niet van die achterlijke geposeerde portretten van mensen die lief naar de camera lachend hun wijs- en middelvinger in een v-teken omhoog steken, waar iedere Aziaat hele albums vol van moet hebben, maar gewoon snapshots van een groep mensen die opgewonden met elkaar praten, vlak voordat ze de watervallen te zien krijgen.

Wanneer we, vlak daarna, bij ‘La Fleur du Mékong’ zitten te wachten op de huisspecialiteit canard au curry blijven er van deze wagens voorbij komen, alle gevuld met Aziaten. Ik vraag de Frans sprekende, Laotiaanse eigenaar waar al deze mensen vandaan komen. Thailand, is zijn antwoord. Allemaal? Allemaal. ‘Ils sont nombreux, hein’. Het zijn er inderdaad heel wat. Terwijl we terugfietsen komen er nog van die vrachtwagens vol mensen langs, ons in het voorbijrijden hullend in stof. Had ik gezegd dat er veel westerlingen waren? Nee, zoveel zijn het er toch niet.