Het schijnt dat ik overleden ben. Nou is ‘ik ben overleden’ een taalconstructie die zich moeizaam verhoudt tot de logica, en dus mag dit nieuwtje met een korrel zout genomen worden.

Ja, het werd tijd dat er weer eens zo’n voorval voorviel waarover vooral mensen kunnen vertellen die te maken blijven houden met instanties in het land waar ze niet wonen. Het gaat in dit geval over het fonds dat sinds een kleine twee jaar mijn pensioen uitkeert.

Dat fonds heeft eind vorige maand niets uitgekeerd, en ik had geen reden dat te verwachten, dus ik stuurde maar eens een email om te vragen of ze dat konden toelichten. Ja hoor, dat konden ze wel: ik had op drie verzoeken om een zogenoemd ‘bewijs van in leven zijn’ op te sturen niet gereageerd, en dus moesten ze aannemen dat ik niet meer in leven was. Dode mensen hebben geen geld nodig, dus was de uitbetaling van het pensioen stopgezet.

Zo’n ‘bewijs van in leven zijn’ wordt alleen gevraagd van gepensioneerden die in het buitenland wonen; in Nederland is het kennelijk niet denkbaar dat iemand overlijdt zonder dat dat opvalt. In Nederland zijn de dingen goed geregeld.

Alleen, ik had die verzoeken niet gekregen. Hoe kon dat nou? Een nadere blik op de bij de email gevoegde bijlagen bood uitkomst: op het formulier dat ik hoorde te ondertekenen stond het juiste adres, maar op de begeleidende brief stond het adres waar we niet meer wonen. De adreswijziging die ik indertijd netjes per post had opgestuurd was door de ene afdeling verwerkt, en door de andere niet, en dus werd alle post naar een adres verstuurd waar wij niet meer wonen.

Nou, dan alsnog maar invullen en ondertekenen en zo, en opsturen, dat moet toch vanuit Vientiane wel kunnen. Ja, alleen… er moet mede ondertekend worden door een officiële instantie die er garant voor staat dat ik leef. Dat kan een notaris zijn, maar die moet dan wel Engels kunnen, en vind zo iemand maar eens in Laos. Ah, maar het kan ook een Nederlandse ambassade zijn. Die zullen ze vast wel hebben in Vientiane.

Nou… een ambassade niet, maar wel een honorair consul. Iemand dus, geen Nederlander, die ergens een normale baan heeft en daarnaast wat schnabbelt voor het Koninkrijk der Nederlanden. Maakt niet uit, het zal vast wel iemand zijn die Engels spreekt, en het is iemand die bevoegd is te ondertekenen dat ik, enzovoort.

Dus ik zocht  op het internet naar die honorair consul. En vond een naam en adres. En de openingstijden… dindagochtend van negen tot twaalf. Iedere dinsdag. Eh… het is nu dinsdagmiddag. De volgende openingstijd is over een week.

Dat ‘bewijs van in leven zijn’ moet maar binnenkort als we terug zijn in Maleisië worden ingevuld en ondertekend. En hopelijk wordt het dan door de post bij het pensioenfonds bezorgd. En hopelijk gaat dan het pensioenfonds ermee akkoord dat ik in leven ben. Want anders moet ik me toch nog zorgen gaan maken over wat begon als een weliswaar klunzige, maar in wezen onschuldige vergissing en wat zomaar uit kan groeien tot een existentieel vraagstuk.