Toen we twee maanden geleden uit Laos terugkwamen in Maleisië raakten we aan de praat met een taxichauffeur. Zoals vaker ging het gesprek al snel over de allang verwachte, maar toen nog niet aangekondigde verkiezingen. Het werd tijd, vond hij, dat er verandering kwam in het land, het kon zo niet langer.

Ik probeerde wat te relativeren. Het gaat in Maleisië niet zo slecht, vond ik. We hadden net een paar weken in het zuiden van Laos doorgebracht, waar bij veel mensen achter een hele lieve glimlach een tot wanhoop drijvende onkunde schuilging: taxichauffeurs die de weg niet kenden en dan zo maar wat gingen rijden, restaurants waar je je eten niet kreeg en waar het wisselgeld niet klopte als met het hoofd gerekend werd en nog steeds niet klopte als er een rekenmachine bij gehaald werd, afijn, een hele rits gebeurtenissen waar ik heel langzaam heel erg genoeg van had gekregen. Het was overal in het zuiden van Laos hetzelfde geweest en overal moest weer diezelfde glimlach alles goed maken. Maleisië, hield ik de taxichauffeur voor, was een ontwikkeld land, met infrastructuur en scholing en innovatie en zo.

Hij zag dat wat anders. Als Indiër, zei hij, had hij niet dezelfde kansen om opdrachten te krijgen als Maleiërs en Chinezen. Hoezo, opdrachten? Nou, hij was dus gediplomeerd bouwkundig ingenieur en eigenaar van een constructiebedrijf, maar hij kon geen opdrachten krijgen. Wanneer de staat een project uitbesteedt gaat dat altijd op dezelfde manier: een door Maleiërs geleid bedrijf krijgt de opdracht maar is niet in staat en niet van plan om het werk uit te voeren. Dat bedrijf besteedt de opdracht dus uit aan een door Chinezen geleide onderneming. Die laatste kan het werk wel uitvoeren maar moet met een goedkope offerte komen en er ook aan verdienen. Dus wordt er gesjoemeld met de specificaties. Voor bedrijven die niet door Maleiërs geleid worden en die niet sjoemelen is in dit proces geen werk. Tot zover de taxichauffeur, die hiermee eigenlijk niets nieuws vertelde.

Maleisië is een wonderlijk land, een wonderlijke constructie. Verschillende bevolkingsgroepen leven er samen en kennen zelfs een zekere welvaart in een soort fragiel evenwicht dat waarschijnlijk nergens anders te vinden is. Van die bevolkingsgroepen zijn de Maleiërs (de helft van de bevolking) en de Chinezen (een kwart van de bevolking) de belangrijkste. Deze twee konden nauwelijks verschillender zijn maar zijn ondanks hun tegenstellingen op elkaar aangewezen.

De Chinezen zijn zich weliswaar later dan de Maleiërs komen vestigen, maar ze zijn niet, zoals ‘immmigranten’ elders, degenen die de mindere klussen opknappen. De Maleiërs intussen zien zichzelf als de oorspronkelijke bewoners van het land (wat niet waar is) en dus als ‘heren’, en ze hebben bij de onafhankelijkheid forse concessies van de andere bevolkingsgroepen geëist die deels in de grondwet verankerd zijn.

Maleiërs krijgen voorrang bij de toewijzing van huizen, overheidsbanen en plaatsen aan de universiteit, terwijl Chinezen van jongs af aan leren niets van de overheid te verwachten en voor zichzelf te zorgen. Bedrijven moeten een bepaald percentage Maleiërs in dienst hebben, wat in de praktijk betekent dat ze een Chinees kader hebben en Maleis productiepersoneel. Bossen worden gekapt en de zo vrijgekomen grond wordt met infrastructuur en al aan Maleiërs gegeven, voor de vestiging van oliepalmplantages. Chinezen hebben daar geen recht op; ze studeren en worden medisch specialist of ondernemer, of leren een vak en hebben een eigen werkplaats. De islam is de staatsgodsdienst, al heeft de helft van de bevolking daar niets mee, en het Maleis is de enige officiële taal, ook al hoor je op veel plaatsen enkel Chinese dialecten, Tamil en Engels.

In deze op basis van ras ingedeelde samenleving blijven traditionele verschillen in het oog springen, tot op het caricaturale af. Chinezen werken. Maleiërs liever niet. Chinezen zijn ervan overtuigd dat je door vijf keer per dag met je neus op de grond te gaan liggen geen welvaart schept. Maleiërs menen dat je door de hele dag met je neus in de boeken te zitten geen welzijn vindt. Maar ondanks deze tegenstellingen hebben ze elkaar nodig: Chinezen zijn nodig als hoogopgeleiden en als economische motor, terwijl Maleiërs zorgen voor laaggeschoolde arbeiders en consumenten. Kan het zwart-witter?

De coalitie van partijen die sinds de onafhankelijkheid de meerderheid in de regering heeft gehad en waarin de Maleise partij de grootste is kan worden beschuldigd van cynisme: de positieve discriminatie die er officieel voor moest zorgen dat Maleiërs zich kunnen ontwikkelen heeft het perverse effect gehad dat Maleiërs alleen maar afhankelijker werden van de overheid voor alles wat ze nodig hebben. En dat heeft ertoe geleid dat bij elke verkiezingsronde opnieuw een meerderheid van de kiezers op dezelfde coalitie stemde, om vooral de privileges niet kwijt te raken. Was dat een voorzien, berekend, bedoeld effect?

Aan de andere kant heeft de bestaande indeling van de maatschappij ook geleid tot een voorzichtig evenwicht waar voor iedereen wel voordeel in zit, al is er ook voor velen reden om te klagen. De voordelen: Chinezen ondervinden van Maleiërs geen concurrentie op gebieden waar ambitie een rol speelt, en Maleiërs worden beter van de Chinese ondernemingsdrift. De nadelen: er zijn nog steeds grote culturele verschillen. Zo wordt aan Maleise kant af en toe een taboe-onderwerp op tafel gebracht (de wens een deel van de islamitische wetgeving in te voeren), en is het aandeel van de Chinezen teruggelopen van een derde tot een kwart van de bevolking omdat elders meer ontplooiingsmogelijkheden zijn.

Maar nu de nieuwe verkiezingen dan toch eindelijk zijn aangekondigd (ze worden op 5 mei gehouden) wordt in binnen- en buitenland de adem ingehouden, want voor het eerst in de geschiedenis van de staat Maleisië is de regeringscoalitie niet zeker van de overwinning. De achtergronden daarvoor zijn te vinden in het grote aantal nieuwe, jonge kiezers die hun informatie niet uit de staatsmedia halen maar van het internet, en het onvermogen van voormalige en zittende leden van de regering weerstand te bieden tegen de mogelijkheden tot zelfverrijking die bij het ambt horen.

De zittende premier ziet al heel lang de bui hangen en heeft om die reden gewacht met het uitschrijven van nieuwe verkiezingen. Dat gaf hem tijd voor maatregelen die op ons wat koddig overkomen: het bijwonen van popconcerten bijvoorbeeld (om aansluiting te vinden bij de jonge kiezer) of het uitdelen van contant geld aan bepaalde groepen van de bevolking, met de belofte dat dat vaker gaat gebeuren als hij herkozen wordt.

De regeringscoalitie is zelfs van plan na herverkiezing een commissie in het leven te roepen die corruptie op regeringsniveau moet onderzoeken. Nee maar. Ze gaan zich zelf laten onderzoeken? Ná de verkiezingen?

De taxichauffeur van het begin van dit stuk valt, als Indiër, overal tussen. Hij vertelde nog over zijn zoon die in Engeland een opleiding tot vliegtuigmonteur volgt. Hij heeft zijn zoon op het hart gedrukt in ieder geval tot ruim na de verkiezingen in Engeland te blijven, wat er ook gebeurt. Als hij daar een baan kan vinden, of anders in b.v. Singapore, moet hij die aannemen. Want in Maleisië, zei hij, is geen toekomst. Niet onder deze regering. Als gediplomeerd bouwkundig ingenieur aan het stuur van een taxi kan hij daarover meepraten.