Vrijheid is… het hotel waar je zojuist bent wakkergeworden verlaten met enkel een klein rugzakje op de rug, met daarin wat schamele bezittingen die de komende maanden genoeg zullen zijn, maar waar niets bij zit waar je niet zonder zou kunnen.

Het was het uur waarop de dag nog niet is begonnen maar de nacht al is afgelopen. De zon had zich met tegenzin aan de taak gezet de wereld opnieuw van licht te voorzien en nam daar met opzet de tijd voor. Op Jalan Alor werd gewerkt aan het doen verdwijnen van de sporen die de bezoekers van de restaurants er in de loop van de nacht hadden achtergelaten: op de grond geworpen papieren servetjes werden bijeengeveegd, de straat werd schoongespoten, een vrouw liep met een enorme zak vol plastic flessen, op zoek naar meer. Hier zat een groep Nigerianen glazig te kijken naar de lege bierflessen die voor ze op tafel stonden, daar stonden dim sum en ba pao te stomen voor de Chinezen die niet lang op zich zouden laten wachten – het werd immers tijd voor het ontbijt.

De monorail naar Sentral was vrijwel leeg, op Sentral – een knooppunt van verkeersverbindingen midden in Kuala Lumpur – was het inchecken voor de vlucht in een oogwenk gebeurd, en de sneltrein naar het vliegveld gleed bijna onmerkbaar door het landschap.

De vlucht naar Dubai… ach. Ik heb niets tegen vliegen hoor, maar de lange-afstandsvlucht ben ik gaan zien als iets dat beter zoveel mogelijk vermeden kan worden. Naast me zat een Egyptische student met een ontevreden mond waaruit een mengsel van ranzige tabakslucht en maar half uitgesproken Engels mijn kant op kwam wanneer hij wakker was. Wanneer hij sliep rustte zijn hoofd op mijn schouders. Ik sliep niet.

In Dubai had ik de stad in kunnen gaan om te kijken hoe die veranderd is, er was tijd genoeg voor. Ik heb Dubai nog gekend toen je op het platvorm van het vliegveld vijf vliegtuigen naast elkaar kon zien staan. Twee daarvan waren dan van de KLM, ze kwamen er enkel om te tanken omdat de afstand Amsterdam – Bangkok met de viegtuigen van toen te groot was om in één keer te vliegen, en om van bemanning te wisselen. Ik liep in de stad graag langs de haven waar van Arabische zeilscheepjes door zwetende mannen kartonnen dozen met geïmporteerde electronica (met bijna bekend klinkende namen als b.v. Sany) aan wal gedragen werden, en stak dan voor één dirham over naar Deira, gewoon voor de sfeer. Jaren later kwam ik er nog wel eens met een vracht-747, toen Dubai van een dorp in de woestijn was veranderd in een weddenschap: alles kan, en als het wanstaltig veel geld kost, dan wordt het alleen maar interessanter.

Maar het blijft een plaats in de woestijn, en de middagtemperatuur in deze tijd van het jaar leende zich niet voor een wandeling in de stad. In plaats daarvan liep ik rond in de terminal waarin ik was aangekomen en waar je moeiteloos tussen twee vluchten door miljoenen zou kunnen uitgeven.

En nam de bus naar een andere terminal, vanwaar ik zou vertrekken met een jonge, regionale luchtvaartmaatschappij. De overgang was groot.

Om de terminal in te komen moest eerst een beveiligingspunt worden gepasseerd. Voor me schuifelden mensen die uit Pakistan leken te komen, maar dan uit delen van Pakistan waar nog nooit een blanke is geweest en waar zeker geen vliegveld kon liggen. Van die mensen die zo uit een documentaire geplukt leken. Hoe waren deze mensen hier verzeild geraakt, wat had ze op miraculeuze wijze in deze omgeving gezet? Ze werden overrompeld door alle procedures, uit alle vouwen van hun kleding kwamen voorwerpen die bij het personeel een ja-zie-je-wel blik opriepen, gehoorzaam maar verward trokken ze hun karige sandalen en schoenen uit om blootvoets of in sokken vol gaten verder te gaan, een stokoud vrouwtje veranderde in gewoon een oud vrouwtje omdat haar stok moest worden ingeleverd voor controle, en dat was allemaal nog maar het begin want eenmaal voorbij de controle bleek de hele hangarachtige hal gevuld met mensen die je niet in het echt denkt tegen te komen.

Het wemelde dat een lieve lust had. Een Arabier vond het ook wel interessant. Hij wees zijn twee gesluierde vrouwen waar ze konden gaan zitten en ging op zijn gemak om zich heen kijken terwijl de vrouwen met gesluierde woorden een geanimeerd gesprek begonnen waar twee mobiele telefoons bij kwamen kijken. Andere vrouwen liepen rond in lange gewaden en kleurrijke, om het haar gewikkelde doeken, alvorens in een rij te gaan staan voor een vlucht die klaar was om te vertrekken naar Ashkabad – Turkmenistan dus. Een Noord-Amerikaans gezin viel op omdat er vrijwel geen westerse gezichten te zien waren; terwijl ze stonden te praten kwam er iemand bij ze staan en schakelden ze over naar een rap en vloeiend Russisch.

Er was geen grote keuze aan eetgelegenheden. Voordat ik bij een balie waar Arabische grilgerechten werden aangeboden kon bestellen kwam een Arabier die net zijn eten had opgehaald om bestek vragen. Wilt u nog meer bestek?, vroeg het meisje. Ik wil dicht bestek, antwoordde hij, dacht even na, en veranderde dat in: sealed. Anders kon hij toch niet weten of het schoon was. Het kwam in deze hal wel grappig over, en het meisje bleek er ook de humor van in te zien. Ze pakte een afgesloten pak met honderden van diezelfde plastic vorken die hij al had en zei: sealed. Wil u dit? De man vertrok weer.

Ik was hierdoor afgeleid en had dus niet gezien dat intussen een andere Arabier voor me was gaan staan. Deze begon te bestellen maar wist niet zo goed wat hij wilde. Uiteindelijk was een bestelling geplaatst en geld overhandigd. Maar wacht even.
‘Give me water. Now.’ Dat handje, wijzend op de flessen water achter de toonbank en dan vier vingers die ongeduldig in een hier-nu-gebaar heen en weer bewogen werden. Hij kreeg een fles water en het wisselgeld dat het meisje al in de hand had werd aangepast.
‘More. Give me more. Now.’ Ze kijkt hem aan: hoeveel dan?
‘Three more. Now.’ Weer dat handje. Hij kreeg meer water.
‘What is this? This is not cold. Give me cold.’
Dezelfde man pakte even later een bord eten van het plateau dat een oudere Pakistanees net had opgehaald, en stak bij wijze van rechtvaardiging vier vingers in de lucht. Hij had vier borden besteld en er maar drie gekregen. De Pakistanees, die enkel had opgehaald wat hem was aangewezen, bleef beteuterd achter.

Volgende vlucht… Er ging nooit meer een einde aan komen, ik wist allang niet meer hoe ik moest zitten en slaagde er niet in te slapen. De tijd vertraagde zozeer dat gevreesd moest worden dat hij helemaal stil zou gaan staan. Maar terwijl buiten aan de horizon de eerste tekenen van een nieuwe dag te zien waren ging in de cabine het licht aan. Bishkek. Eindpunt.

Ik werd opgewacht door mensen van de talenschool die me naar mijn gastgezin brachten. Brede, grotendeels lege straten met straatbeelden die aan Irkoetsk deden denken, maar ook besneeuwde bergen in de nabije achtergrond. Ontvangst in wat ook al bekend was: betonnen woonbunkers waarvan nooit de bedoeling kan zijn geweest ze te onderhouden, laat staan verfraaien. ‘Vijfde verdieping, geen lift.’ Het klonk verontschuldigend, maar ik had niet anders verwacht. Overweldigende zin om weer aan de slag te gaan en te leren. Maar nu even niet. Eerst slapen…