Af en toe neem ik niet de lift om van ons appartement op de begane grond te komen en naar buiten te gaan, maar loop ik de twaalf verdiepingen naar beneden via het trappenhuis dat dienst doet als nooduitgang. Dat lijkt me een goeie gewoonte, want als er eens brand uitbreekt en je moet van de nooduitgang gebruik maken, dan kun je rekenen op chaos en dan moet je blindelings je weg kunnen vinden. In het verleden had ik daarbij al gezien dat op de lager liggende verdiepingen, waar parkeerruimte en een winkelcentrum zitten, de branddeuren die toegang geven tot het trappenhuis gesaboteerd waren en in plaats van gesloten te zijn, zoals een bordje op elke deur aanmaande, permanent wijd open stonden. Ach ja, Maleisië, hè?

Deze keer wachtte me een veel grotere verrassing. De uitgang op de begane grond zat op slot. Er was geen manier om buiten te komen, ik moest weer terug omhoog. Levensgevaarlijk, dacht ik, een branduitgang die je gebruikt om je leven te redden en die in werkelijkheid je graf wordt. Maar brandgevaar is niet iets wat leeft in de Maleisische psyche.

Er zijn de laatste tijd wel meer aanleidingen geweest om eens na te denken over het begrip ‘gevaar’: wat is gevaar, in hoeverre is het reeël en in hoeverre bestaat het in je hoofd? Als je er statistieken bij gaat halen zul je zien dat er meer mensen dood gaan aan de gevolgen van ongezond eten of roken, door ziektes als malaria en AIDS, of in het verkeer – dan door brand. Maar met statistieken moet je uitkijken; zo kunnen ze je b.v. vertellen dat in Nederland veel meer fietsers om het leven komen dan in Maleisië, en toch zal zich waarschijnlijk niemand tot de conclusie laten verleiden dat Nederland een levensgevaarlijk land is voor fietsers.

Even terug naar mijn verblijf in Bishkek. Toen op een keer de moeder van het gezin waarbij ik inwoonde naar buiten ging en mij alleen thuis achterliet nam ze het laatste bosje sleutels mee dat er nog hing. Ik vroeg of ze die voor me kon achterlaten, want zonder sleutels zou ik de deur van binnenuit niet open kunnen maken als er brand uitbrak en ik naar buiten moest. Haar antwoord was: brand, dat kunnen we niet gebruiken. Ze gaf me de sleutels met zichtbare tegenzin.

En op de dag dat ik ‘s morgens vroeg naar het vliegveld wilde gaan kwam ik halverwege het trappenhuis een stalen deur tegen die anders altijd openstond, maar die nu op slot was en waarvoor ik terug naar boven moest om te vragen of ze hem voor me open konden doen. Is de behoefte aan een veilige ontsnappingsroute in geval van brand soms iets westers? Leeft dat bij niemand in Azië?

Wat wel leefde, in Bishkek: de angst voor inbrekers, dieven, rovers, bandieten. Pakmannen. De huizen hadden intercom, er was die al genoemde stalen deur halverwege de trap, en op de toegangsdeur van ieder appartement zaten meerdere sloten. Des te opvallender als je bedenkt dat achter al die zorgvuldig afgesloten deuren eigenlijk helemaal niets te halen viel.

Ook in Maleisië geldt de inbreker als groot en reeël gevaar. De regering scoort door vlak voor de verkiezingen meer politie te beloven, en bewoners van flats hebben vaak tralies voor de ramen zitten, zelfs op de vijfentwintigste verdieping. Ik kijk ernaar, en krab me op het hoofd.

Aan inbrekers denk ik geen moment. Aan iets anders wel. Nadat ik in Turkije van mijn fiets gereden ben, nadat in Maleisië Charlotte het vege lijf enkel kon redden door de berm in te duiken toen ze de gierende remmen achter zich hoorde, en nadat ik op Penang, waar Charlotte me had overgehaald om toch nog een keer op de fiets te stappen, weer op een haar na werd aangereden en de chauffeur, die ik door zijn open raam helemaal stijf vloekte in voor deze gelegenheid erg toepasselijke Nederlandse termen, stoïcijns voor zich uit bleef kijken, na dit alles stuit iedere gedachte over opnieuw gaan fietsen op een ondoordringbare muur van nee.

Het helpt ook niet om je dagelijks als voetganger tussen het verkeer van George Town te begeven. Veilige voetpaden en oversteekplaatsen zijn er bijna niet en het Maleisische rijbewijs is in feite een bewijs van grove incompetentie.

Maar het zijn niet eens alleen de Maleisiërs. Ik denk aan een krantenbericht van een Amerikaan die al dribbelend met een bal onderweg was naar het WK in Brazilië (hij steunde daarmee een goed doel), maar die niet ver van zijn beginpunt al werd doodgereden. Of aan een Duitse fietster die op haar blog schreef over het gevaarlijke rijgedrag van Nieuw-Zeelandse vrachtwagenchauffeurs, en die daarna niets meer schreef omdat ze door één van hen werd doodgereden. Of aan nog andere, dergelijke voorvallen.

Het staat voor mij intussen als een paal boven water dat je gemotoriseerd verkeer dat honderd rijdt en fietsers die misschien vijftien of twintig halen (en voetgangers, trouwens) niet gebruik moet laten maken van dezelfde weg, dat is vragen om moeilijkheden. Je kunt een miljoen voorzichtige automobilisten hebben, en dan zit er één te sms-en terwijl hij – o jee, die had ik niet gezien. Als ik een goeie dag heb erken ik dat automobilisten mensen zijn die fouten kunnen maken. Als ik een slechte dag heb zijn automobilisten onvergeeflijk stomme stukken vreten. In beide gevallen kun je er als fietser en als voetganger beter niet mee te maken hebben.

Maar hee. Vroeger had ik hier toch geen last van. Vroeger kon ik het vervelend vinden als vrachtwagens vlak langs me heen denderden, maar ik bleef fietsen, zocht hooguit rustiger wegen op. Terwijl nu iedere auto die van achteren komt, die ik hoor maar waarvan ik niet kan zien of hij mij gezien heeft, gevaar inhoudt. Een ondraaglijk gevaar, want het houdt nooit op.

Wat dan te denken van de wegwerkers en straatvegers die ik ongestoord zie werken terwijl het verkeer op centimeters langs ze heen raast, zonder enige afscheiding? Of mensen die midden op een drukke weg staan, met auto’s die in beide richtingen langs ze heen rijden, wachtend op een gelegenheid om ook de rest van de oversteek te maken. Zien ze het gevaar niet? Bestaat het niet?

Ik ben niet bang voor inbrekers. Er is niets dat ik niet zou kunnen missen. En ik ben niet bang voor brand, al weet ik wel waar ik heen kan als het een keer gebeurt, en waar niet. Maar voor auto’s ben ik bang. Of nee, niet voor auto’s, maar voor de mensen die ze besturen. Wel lastig, hoor.