Wenen bevalt. De binnenstad is één grote verzameling van gebouwen die iets meegemaakt hebben en daar graag over vertellen. Wie in de binnenstad rondloopt weet zich omringd door eeuwenoude grootsheid. Dit is … grandioos.

Door al dat verleden om me heen laat ik me ertoe verleiden zelf ook een stapje terug te zetten in de tijd. Ik koop een Süddeutsche Zeitung en stap ermee een klein café in. Meteen word ik getroffen door een gevoel van weemoed waarvan een tel later duidelijk wordt waardoor het wordt veroorzaakt: hoewel er bijna niemand binnen is staat het café blauw van de sigarettenrook. Net als vroeger… Een oude vrouw staat moeizaam op, kijkt me argwanend aan en serveert met zichtbare tegenzin een kop waterige koffie. Ik probeer mijn krant te lezen, maar van de weemoed bij het binnenkomen is niets meer over en de rook maakt het me onmogelijk aan iets anders te denken dan: wegwezen. Dit had aanleiding gegeven tot weemoed? Het verleden is niet meer wat het geweest is.

Bij het Volkstheater is te zien dat er een stuk van Friedrich Dürrenmatt speelt: Die Physiker. Verheugd over de gelegenheid loop ik naar binnen om een kaartje te kopen; nog dezelfde avond zit ik, voor het eerst in lange tijd, in het theater. Ook dit loopt uit op een teleurstelling. Niet alleen valt de uitvoering tegen ( ‘stijf opzegtheater’ lees ik later in Der Standard, ‘verlammend’ en ‘vermoeiende niet-interpretatie’ is het oordeel van Die Kleine Zeitung), maar bovendien word ik eraan herinnerd dat het theater een plaats is waar je samen met veel andere mensen naar iets kijkt: onophoudelijk wordt om me heen gehoest, geschoven en gefluisterd, en pal voor me zit een oudere dame met getoupeerd haar en een beginnende vorm van Parkinson mij het zicht op het podium te ontnemen. Wanneer ik in de pauze bij de garderobe om mijn jas vraag en ‘nee’ antwoord op de vraag of ik nog terugkom krijg ik een korte blik toegeworpen waarin luid en duidelijk het woord ‘cultuurbarbaar’ besloten ligt.

Het zijn eenvoudige dingen die voor eindeloos veel meer plezier zorgen. Staand bij een ijsbaan een werkelijk goede, ambachtelijke Käsekrainer eten: een braadworst waarin kaas verwerkt zit, geserveerd met een snee stevig, donker brood en veel mosterd. Na de theatervoorstelling die niet zo veel voorstelde in een kroeg een groot glas Zwickl bestellen, een ongefilterd, dus troebel, bier dat uitstekend smaakt en aanleiding geeft tot een gesprek met de barmens, die er met kennis en enthousiasme over vertelt. Later begrijp ik dat deze biersoort op meer plaatsen in de regio bekend is: ook in Boedapest kom ik het nog tegen.

De Neue Zürcher Zeitung vertelt hoe Wenen na de eerste wereldoorlog en de teloorgang van het Oostenrijks-Hongaarse rijk in een identiteitscrisis geraakte, en na de tweede wereldoorlog en de scheiding van de machtsblokken verwerd tot een weliswaar fraaie maar onbeduidende stad aan de rand van Europa. Het uiteenvallen van de Sovjet-Unie bracht de stad resoluut terug naar het midden en zorgde voor groei en welvaart.

Dan ligt ook Bratislava in het midden van Europa. Hoe zou het er met de groei en de welvaart zitten?

Na de nadrukkelijk moderne, ruime, lichte Weense Hauptbahnhof is het slechts een uur verder gelegen station van de hoofdstad van de Slowaakse republiek tegelijk ontnuchterend en fascinerend, een stap in een heel andere wereld. Opgetrokken uit vermoeide materialen en in donkere kleuren, met aan het plafond tl-buizen waarvan sommige het doen, heeft het loketten waar mensen plaatsbewijzen verkopen aan andere mensen die ervoor in de rij staan, winkeltjes waar de klanten door een toonbank worden gescheiden van zowel de verkopers als de achter hen uitgestalde koopwaar, en een opvallend gebrek aan het soort informatie waar aankomende reizigers hun voordeel mee zouden kunnen doen. Buiten zie ik kiosken waar mensen die allang met pensioen zouden moeten zijn door een piepklein luikje versnaperingen en kranten verkopen, antieke maar nog rijdende trams, trolleybussen, niet-geruimde sneeuw en wegen waarvan het vele malen gerepareerde wegdek waarschijnlijk nooit vlak is geweest. De eerste indruk: onmiskenbaar oostblok.

De oude binnenstad met zijn versierde huizen, met erkers en smeedijzeren balkonnetjes, doet eerder Boheems aan, maar er is duidelijk (ook hier) geen geld voor onderhoud. Ik loop erdoorheen op zondag, er is bijna niemand op straat, de weinige geopende horecagelegenheden zien er eensgezind onuitnodigend uit, de wind jaagt gemene, uit een grijze hemel vallende sneeuwvlokjes in mijn gezicht en zelfs de pastelkleuren van sommige van de huizen kunnen de vreugdeloosheid van het tafereel niet wegnemen.

Er ligt een dun laagje westerlijkheid over de stad heen. Ik zie een gebouw dat het logo van Amazon draagt. Een concert van Katy Perry wordt aangekondigd, als onderdeel van een ‘world tour’. Reclameborden bieden Spaanse les aan onder de pakkende kop ¡vamos a la playa! Het komt wat gekunsteld over allemaal, want bijna niemand spreekt iets anders dan Slowaaks, en het lijkt erop dat niemand er zelfs maar behoefte aan heeft iets anders te spreken dan Slowaaks. Ze hebben het prima onderling. Slowakije is een eiland, midden in Europa. Dat is de slotsom na slechts één dag, en ik heb geen zin langer te blijven.

Door naar Boedapest.

Boedapest

Boedapest

Hongarije… Voor een volk dat één van de meest onbegrijpelijke talen ter wereld spreekt is het opvallend hoeveel mensen er ook (in de hoofdstad, althans) het Engels meester zijn. Dat Engels wordt met grote vanzelfsprekendheid op de bezoeker losgelaten, en waar de kennis van het Engels niet toereikend is wordt met dezelfde vanzelfsprekendheid doorgebabbeld in het Hongaars. Het zijn innemende mensen, elegant, hoffelijk.

Het is een plezier eenvoudig door te straten te zwerven, de straten van opnieuw een stad vol geschiedenis. De andere hoofdstad immers van het Oostenrijks-Hongaarse rijk. Onder andere.

Ergens op een stoep is een gedenkplaats ingericht voor de slachtoffers van de tweede wereldoorlog, met foto’s, schoenen, prikkeldraad. De altijd nog belangrijke boodschap: dit nooit weer. Hoe zouden we kunnen leven zonder aandenkens, zonder herinnering?

Even later hoor ik op een kruispunt iemand zeggen: ‘Мы не в ту сторону пойдём’. We gaan de verkeerde kant op. De man kijkt op zijn telefoon en wijst de kant op waar ze wèl heen moeten. Onwillekeurig denk ik aan ’56, toen de Russen niet met Google Maps maar met stafkaarten naar Boedapest kwamen. Ten onrechte: waarom zou ik me iets te herinneren waar ik niet bij geweest ben? Is niet de weigering de zaak te laten rusten, toe te staan dat de tijd de wonden heelt, de weigering te vergeten dus, één van de redenen waarom in sommige delen van de wereld conflicten vele generaties lang kunnen blijven bestaan? Hoe zouden we kunnen leven zonder vergetelheid?

Vanuit Boedapest kun je alle kanten op, maar twee dagen is lang genoeg om te beslissen over hoe nu verder. Morgenochtend gaat vroeg de wekker, het wordt een lange dag. Opnieuw de trein in, deze keer naar Lviv.