Voor de treinreis van Ankara naar Erzurum, vertrektijd zes uur ‘s avonds, heb ik een idee: laat ik wat hapjes kopen en een fles raki, dan kan ik dat aanbieden aan de jonge, goed opgeleide en liberale Turken waarmee ik ongetwijfeld een slaapcoupé zal delen, en dan hebben we van alles te bespreken: politiek, wereldbeschouwing, dat soort dingen. Ik vind de hapjes en de raki in een supermarkt aan het Kizinay en kom op het plein zelfs een rondlopende theeverkoper tegen die eerst wat veel vraagt voor een paar plastic bekers maar deze dan, wanner hij begrijpt dat ik er geen thee in wil, voor een symbolisch bedrag afstaat. Hapjes: een soort dolma’s, bestaande uit rijst, olijfolie en wie weet wat nog meer, gewikkeld in druivenblad. En içli köfte, gekruid gehakt, gebakken in een omhulsel van bulgur (burghul). Raki behoort tot de familie van met anijs gefabriceerde brandewijnen waar ook pastis, pernod, sambuca en ouzo toe behoren. In het Turks heet het trouwens rakı (hier weer die i zonder puntje), wat wordt uitgesproken als ons woord rake (‘een rake opmerking’).

Tegen de tijd dat de Doğu Ekspres het station binnenrijdt sta ik al klaar op het perron. Ik vind mijn plaats en wacht af, met nog een twintigtal minuten te gaan voordat we vertrekken. Er komen twee vrouwen mijn coupé binnen, moeder en dochter, beide met hoofddoek. De kans dat we samen al raki drinkend over politiek gaan praten wordt opeens erg klein. Kort daarna komt er een controleur voorbij. Die bekijkt mijn kaartje en concludeert dat ik zit waar ik hoor te zitten. De vrouwen beginnen een gesprek met hem, ik kan natuurlijk niet volgen waarover het gaat maar het klinkt ongeveer als: ober, kijk nou eens wat ik in mijn soep vind. Af en toe wordt naar mij gekeken, en als de blikken en de daarmee gepaard gaande stiltes langer worden gooi ik er iets in het Turks in dat ik intussen heb geleerd. Het volgende gesprek heb ik al meermalen gevoerd:

– Ben türkçe bilmiyorum.
– Biliyorsunuz!
– Bilmiyorum.

Vertaling:

– Ik spreek geen Turks.
– Wel waar!
– Nee echt.

De twee vrouwen worden meegenomen naar een andere coupé en ik blijf alleen over. De trein zet zich in beweging en terwijl buiten een bijna volle maan een onwerkelijk licht werpt over een voorstad van Ankara waar huizen tegen en over steile heuvels geboetseerd zijn open ik de fles raki en de hapjes. Hm, goeie combinatie.

Bij het eerste ochtendlicht wacht me een feeëriek schouwspel. Een bevroren, golvende steppe van vale bruinen, gelen en roden, verzacht door een laagje rijp. Wat schaars geboomte, verspreid gestruikte. Aan de nabije einder hogere, gelijkmatig besneeuwde hellingen. En aan de westelijke hemel de bijna volle maan van de vorige avond, die zijn ijzige wacht beëindigt. We volgen een met bladerloze berken, populieren en knotwilgen omzoomd riviertje. Het tafereel is van een intense, melancholische ingetogenheid en ik kan er mijn ogen niet van afhouden. Dan gaan we, nog steeds de rivier volgend, een kloof door met grillige rotswanden die, hier en daar door de nog lage zon beschenen, opvlammen en tot leven komen.

Het landschap blijft veranderen, blijft fascineren. Stenige, droge valleien gaan over in rijk gekleurde hellingen die kennelijk meerdere ertsen bevatten: rood voor ijzer, groen voor koper. Op de achtergrond verrijzen steeds hogere, besneeuwde bergen en het wordt duidelijk dat we naar ze toe klimmen, totdat we uitkomen op een ruim, hooggelegen dal waar de stad Erzincan aan bijna alle kanten omringd ligt door drieduizenders. Dit moet één van de mooiste natuurlijke decors van de wereld zijn, voor (althans vanuit de trein gezien) één van de lelijkste steden. Even denk ik erover hier eenvoudig uit te stappen en morgen verder te gaan, maar de aanblik van treurige, in elkaar geflanste huizen aan modderige wegen en plastic afval dat overal op de grond ligt en in bomen en struiken hangt doet me daarvan afzien.

Tussen Erzincan en Erzurum

Tussen Erzincan en Erzurum

De reis gaat verder en opnieuw vormen de bergen aan beide zijden van het traject een onvergetelijk decor. Tegen de tijd dat Erzurum bereikt wordt zijn niet alleen de bergen wit, maar ook de velden. Nog meer zijn we geklommen: Erzurum ligt op een vlakte op 1800 meter hoogte, en ook hier staan besneeuwde bergen omheen. Ik bekijk de stad, ben niet erg enthousiast. Wat opvalt: terwijl in Istanboel en Ankara bijna geen hoofddoeken gedragen worden, bedekt in Erzurum de meerderheid van de vrouwen het haar.

Volgende dag: opnieuw een schitterende tocht. De bedoeling is vandaag in de Georgische badplaats Batumi te komen en als eerste en grootste stap daarvoor heb ik een buskaartje gekocht naar Hopa, niet ver van de Georgische grens.

Langs benevelde sneeuwvelden klimmen we eerst naar een pas op 2090 meter hoogte, daarna gaat het lange tijd geleidelijk naar beneden. Besneeuwde gebieden maken al snel plaats voor kurkdroge, gruizige hellingen. Even stijgt en daalt de weg, uitgehakt in een steile wand, terwijl eronder het eerste van een reeks stuwmeren al het water bevat dat de hellingen niet lang genoeg hebben kunnen vasthouden om begroeiing mogelijk te maken. Het ziet ernaar uit dat het op natuurlijke wijze is ontstaan, door een aardverschuiving of steenlawine. Daar waar het water waarschijnlijk het meer verlaat en de diepte in stort slingert de weg er even vandaan, om wat rotspartijen heen, zodat het niet goed te zien is. Wel wordt meteen na het meer een natuurlijk plateau zichtbaar waarop een dorp gebouwd is dat een weergaloos uitzicht heeft op een dieper gelegen kloof, waar zowel de weg als het riviertje dat uit het meer ontspringt naartoe dalen. De kloof zelf heeft aan beide zijden bizarre wanden van gelaagd gesteente dat in lang voorbije tijden in alle richtingen is verwrongen. Na de kloof verwijdt zich het dal weer iets en zijn wat verder weg weer besneeuwde toppen te zien.

Er volgt een lang stuk met tunnels. Waar even niet in een tunnel gereden wordt zijn gehuchten te zien op schijnbaar onbereikbare plaatsen. Bij de ingang van iedere tunnel staat 50 km/u aangegeven als maximum snelheid, maar er is vrijwel geen verkeer. Wanneer voor de bus op een gegeven moment wel iemand rijdt die zich daaraan houdt wordt die natuurlijk, in de tunnel, ingehaald. Er is immers toch geen tegenliggend verkeer. Daarbij springen twee wegwerkers die op de linkerweghelft aan het vegen waren net op tijd aan de kant. Het is niet zeker of de chauffeur ze gezien heeft: hij houdt steevast in de tunnels zijn zonnebril op en de wegwerkers dragen geen reflecterende kleding. De chauffeur trekt nog eens achteloos aan zijn sigaret, terwijl hij met zijn vrije hand losjes aan het stuur draait.

In de buurt van Artvin (de chauffeur kijkt bezorgd om zich heen en begint zijn aandacht te verdelen over de bochten in de weg en een plek onder zijn stoel, totdat hij de mobiele telefoon die was gevallen weer heeft gevonden) wordt het landschap opeens duidelijk groener. In de laatste afdaling naar de Zwarte Zee zijn hele hellingen begroeid met theeplanten.

In Hopa word ik doorverwezen naar busjes die naar Sarp gaan. Eén ervan vertrekt met alleen mij aan boord maar raakt onderweg snel vol. Hij rijdt na Sarp nog de laatste paar honderd meter door tot aan de grens. Die steek ik te voet over, aan de andere kant wissel ik mijn lira’s voor lari’s en vervolgens kan ik kiezen uit klaarstaande busjes en taxi’s voor de laatste 15 km naar Batumi. Het wordt een taxi, om voor een geringe meerprijs meteen in het centrum te komen.

De taxichauffeur gebruikt de brede tweebaansweg zoals ik dat vaker heb gezien. Hij knippert veel met zijn lichten en haalt in zonder te kijken of er tegemoetkomend verkeer is, want er kunnen makkelijk drie auto’s naast elkaar, als iedereen een beetje meewerkt. Een vrij nieuwe, vrij grote SUV die we inhalen gaat echter geen centimeter opzij, zodat de tegenligger verplicht is de berm in te gaan om ergernis te voorkomen. Het kan allemaal, en het gaat altijd goed.

Vlak voor de stad komen we in een file en even verderop langs de oorzaak: twee auto’s zijn kennelijk met hoge snelheid frontaal op elkaar gebotst, het is geen fraai gezicht. Mijn taxichauffeur zal zoiets niet overkomen, het is een oude man die dit al vele jaren doet en het is altijd goed gegaan. In het centrum zie ik waarom: bij het passeren van een kerk slaat hij heftig een paar keer achter elkaar een kruis. Slimme man.