De stad Batumi werkt aan haar allure van internationale badplaats. Wanneer je over de boulevard flaneert (om de één of andere reden kan over een boulevard niet gewoon gewandeld worden), met aan de ene kant het kiezelstrand en aan de andere palmbomen, grote hotels, casino’s en dure winkelstraten, weet je dat je rondloopt in een wat ongewone, maar groeiend populaire vakantiebestemming. Er wordt veel nieuws gebouwd en veel ouds gerestaureerd. Opschriften op straat zijn in het Georgisch en het Engels.

Fraaie appartementen te koop

Fraaie appartementen te koop

Er is natuurlijk ook hier een andere kant. Ga iets verderop kijken en je wordt eraan herinnerd dat Georgië een voormalige Sovjetrepubliek is met een woelige geschiedenis en dat het land zich pas recent is gaan richten op het westen. Engels mag in Batumi dan wel voorkomen op opschriften, gesproken wordt het bijna nergens – in tegenstelling tot het Russisch. Buiten de strook waarin geïnvesteerd wordt, nee zelfs voor de deur van de nieuwe apartementengebouwen is het oudere Georgië aanwezig. Op het trottoir verkopen oude vrouwen sigaretten, noten, pakjes zakdoeken. Een jongere vrouw hangt de was op op een balkon zonder balustrade. In een café wordt me ongeïnteresseerd verteld wat er te eten is. Pas wanneer ik het toverwoord uitspreek gebeurt iets moois: er breekt een stralende glimlach door. Het toverwoord is madloba, het is Georgisch voor: dank je.

Op een zebrapad schiet een uit het niets opgedoken auto rakelings langs me heen. Het doet me denken aan het bord ‘verboden te roken’ dat ik in een restaurant in Erzurum zag, waaronder verschillende mensen zaten te roken. Tekens, overgenomen uit een andere wereld, maar zonder betekenis.

Ouderen, maar ook kleine kinderen verkopen op straat bloemen. In Ankara waren het kinderen die op iedere straathoek een muziekinstrument bespeelden, meestal vertederend slecht. In Iași, in Roemenië, hielden ze eenvoudig de hand op. Buiten West-Europa wordt wat anders gedacht over kinderarbeid.

Om verder te reizen koop ik bij een gloednieuw maar nogal leeg busstation een kaartje naar Zugdidi, wat verder naar het noorden. Van daar moet ik verder kunnen naar Mestia, helemaal in het noorden, in het Kaukasus-gebergte waar ik al menig keer vanuit het vliegtuig naar heb zitten kijken. Denkend: daar wil ik een keer heen. Dat Kaukasus-gebergte loopt ruwweg van de Zwarte Zee tot de Kaspische Zee en vormt een schijnbaar ondoordringbare scheiding tussen Rusland aan de ene kant en Georgië en Azerbaidzjan aan de andere.

Wanneer ik ‘s ochtends bij het busstation kom staat er geen bus en zijn de loketten dicht. Een man komt op me af en vraagt me in het Russisch of ik toevallig naar Zugdidi moet. Op mijn bevestiging zegt hij: kom, laten we gaan. Hij stapt achter het stuur van een taxi, ik ga naast hem zitten. Rook je? vraagt hij. Vind je het vervelend als ik rook? Nee hoor. Hoe ver gaan we met de taxi? vraag ik. Tot Zugdidi, zegt hij. Bussen zijn er niet op het ogenblik. Niemand reist.

Hij zet er flink de vaart in, haalt in waar dat kan (niet eenvoudig met het stuur aan de rechterkant, we rijden in een uit Japan geïmporteerde tweedehands Toyota), maar de weg wordt al gauw zo rustig dat we vrij baan hebben. Even is er een stuk weg dat, in tegenstelling tot de rest, bezaaid is met weliswaar niet erg grote maar wel gemeen diepe gaten. Hij zegt grijnzend: hoe meer gas, hoe minder gaten. En geeft gas. Ik verwacht ieder moment een flinke klap, gevolgd door de conclusie dat we een wiel hebben achtergelaten, maar hij heeft gelijk: we vliegen, zoals hij zelf zegt, over de gaten heen.

Onderweg probeert hij, zonder resultaat, meer passagiers mee te krijgen. Uiteindelijk zet hij me in Zugdidi af aan de uitgaande weg naar Mestia en zegt: nou, tot ziens! Ietwat verbouwereerd neem ik afscheid. Ik had verwacht dat hij om meer geld zou vragen, want wat ik betaald heb dekt misschien net de benzinekosten voor de heenreis; waarschijnlijk niet eens dat. Maar nee.

Ik breng anderhalf uur door op de plek waar ik ben afgezet en ik begin behoorlijk te twijfelen omdat alle passerende busjes enkel opschriften in het Georgisch hebben, maar dan komt er een minibusje voorbij met een duidelijk bordje: Mestia. Blij stap ik in, kijk om me heen, zie verbaasd dat er maar een paar mensen in zitten.

De weg gaat vrij snel de bergen in en we klimmen door een diep, smal, eindeloos dal. Na een uur wordt gestopt voor wat eten en één van de passagiers nodigt me uit om zijn kubdari met hem te delen. ‘Ik wil dat je dat probeert’, zegt hij, ‘dat is ons Svanetische nationale gerecht’. Mestia is de hoofdstad van de regio Svanetië, die een eigen culturele identiteit heeft. Het Svanetisch behoort met o.a. het Georgisch tot de Zuid-Kaukasische talen, die verder wereldwijd geen verwanten hebben en dus worden gezien als primaire taalfamilie, lees ik wat later. De hele Kaukasus is een lappendeken van volkeren, culturen, talen. Zo ben ik net vlak langs Abchazië gekomen, dat met Russische hulp zijn onafhankelijkheid van Georgië heeft uitgeroepen maar slechts door een handvol landen wordt erkend. Je weet wel, één van die bevroren conflicten waar ik het eerder over had.

Kubdari

Kubdari. Brood met erg smakelijk gekruid vlees, soms ook met abrikozen.

Laat ik hier de gelegenheid aangrijpen om te wijzen op de film Mandariinid van de Georgische regisseur Zara Urushadze (Mandarijnen in het Nederlands, Tangerines in het Engels, 2013) waarin twee Estlanders betrokken raken in een oorlog (de afscheidingsoorlog in Abchazië) waar ze eigenlijk niets mee te maken hebben. Ingetogen, roerend verhaal, meer dan de moeite waard.

Het centrum van Mestia, de hoofdstad van Svanetië

Het centrum van Mestia, de hoofdstad van Svanetië

Na een paar uur komen we aan in Mestia, niet de stad die ik had verwacht, maar een dorp waar koeien op straat rondlopen en iedereen elkaar kent. Een heel plezierig dorp dat in de zomer kennelijk druk bezocht wordt door buitenlanders maar nu vrijwel geen bezoekers heeft. Ik wandel in en om het dorp, geniet van de lentezon, de vogelgeluiden en de cafés waar Svanetische en Georgische gerechten op de kaart staan, en Georgische wijn. En praat wat met mensen op straat over hoe ik van hier naar Tbilisi kom. Naast Svanetisch en Georgisch zijn de meeste ouderen het Russisch meester, de jongeren spreken eerder Engels. Al na de eerste dag word ik op straat herkend, word toegezwaaid of schud handen. Het is een warm bad, zo’n dorp. Trouwens: het toverwoord is in het Svanetisch ivasuchèli. Het lijkt niet op madloba…