Het kan niet vaak genoeg gezegd worden: wie (zoals ik) zich een mening vormt over een land aan de hand van wat er over dat land in de krant komt loopt gegarandeerd rond met een vooroordeel dat zowel eenzijdig als onterecht is. Kom maar eens mee en beleef mijn eerste halfuur in Teheran mee, vlak na aankomst van de bus.

Bij het uitstappen zegt iemand:metro? Die kant op. Alleen vind ik niets, die kant op. Een taxi-chauffeur ziet me zoekend rondkijken en vraagt of hij kan helpen. Wanneer ik antwoord dat ik de metro zoek wijst hij op een bus die klaarstaat: die komt langs een metrostation. Glimlachend vraagt hij of ik niet liever met een taxi ga. Maar dat is niet wat ik wil, en meer dan: in het centrum een hotel zoeken weet ik ook niet. Geen probleem.

Om in de bus te komen moet je met een magneetkaart door een poortje bij de halte. Ik zie een verkooppunt en koop zo’n magneetkaart. Eenmaal in de bus kijk in rond en vraag met één woord wat ik wil weten: ‘metro?’ Een zestiger antwoordt in prima Engels: ‘Waar wil je heen?’ En op mijn antwoord dat ik naar een metrostation wil en dan in het centrum een hotel zoeken: ‘kom maar met mij mee, ik moet ook die kant op. Hier, kom maar zitten’. Hij heeft in Amerika gestudeerd en gewerkt, is met een Amerikaanse getrouwd. Wat doe ik in Teheran? We praten, stappen bij een metrostation uit, gaan er naar binnen. Hij is net gepensioneerd en hoopt ‘net als jij’ veel te gaan reizen. En tegen de tijd dat we ieder ons weegs gaan heeft hij me uitgelegd hoe ik met de metro verder kom en me uitvoerig allerlei goeds toegewenst.

Ik stap in de metro en kijk op de kaart in het rijtuig waar ik moet overstappen. Een zeventiger spreekt me aan, bijna verontschuldigend: ‘Als je wilt, kan ik je helpen’. Ook in Amerika gewoond, terug naar Iran gekomen ‘om mijn land te dienen, maar er viel niets te dienen. Maar laten we niet over politiek praten’. En deze man gidst me tot op het Fardosiplein, ‘neem me niet kwalijk dat ik voorga’. Ik moet me geen zorgen maken, hij was nergens speciaal naar op weg, zijn vrouw was boos op hem en het leek hem beter even naar buiten te gaan. Op het plein kijkt hij rond, wijst de kant op waar de meeste hotels zitten en wenst me, ook hij, uitvoerig geluk en succes.

En dat was pas het eerste halfuur na aankomst in Teheran, na een busreis van bijna vierentwintig uur… Maar laat ik even teruggaan naar het begin van die busreis.

Dagelijks gaat er vanuit Yerevan een bus via Tabriz naar Teheran. In eerste instantie wil ik naar Tabriz, het lijkt zonde om deze stad in het westen van Iran over te slaan, maar toch besluit ik meteen naar Teheran te gaan. Om te beginnen is er één standaard tarief voor de reis, het maakt niet uit waar je uitstapt. Verder is de aankomst in Tabriz midden in de nacht, dat is onhandig. Maar vooral wil ik snel in Teheran zijn om daar een Turkmeens visum aan te vragen. Op mijn visum mag ik vijftien dagen in Iran blijven en hoewel de laatste tijd gerapporteerd wordt dat het mogelijk is een Turkmeens visum in Teheran aan te vragen en het vijf dagen later op te halen in Mashhad, vlakbij de Turkmeense grens, is ook een afhaaltermijn van tien dagen voorgekomen. Het lijkt me beter dit zo snel mogelijk te regelen. Nu steek ik op maandag de grens over, kom ik op dinsdag aan in Teheran en heb ik twee dagen (woensdag en donderdag) om naar de Turkmeense ambassade te gaan. Op vrijdag en zaterdag is die gesloten.

Vierentwintig uur lijkt veel voor de afstand tussen Yerevan en Teheran. Maar al snel na het verlaten van Yerevan wordt de weg slechter. Dat we op een gegeven moment de wolken in rijden en vervolgens op een plateau lange tijd blijven voortsukkelen in de mist met nog geen twintig meter zicht maakt het er niet beter op. Uiteindelijk daalt de weg en wordt de mist dus weer gewoon een dicht wolkendek waar we onderdoor rijden, en wordt het wegdek zelfs weer wat beter.

We pauzeren ergens waar een grote hond aan een ketting zit. Even kijken hoe hij reageert, met een kettinghond weet je maar nooit. Terwijl ik naar hem toe loop begint de staart heen en weer te gaan en gaat een paar keer de kop tussen de voorpoten. Ik aai hem, hij vindt het heerlijk. Dan valt me op dat één van de Iraanse passagiers toekijkt met wat lijkt op een afkeurende blik. O ja, dat is ook zo. Niet lang geleden was er in Maleisië een hoop ophef over een door een jonge Maleiër georganiseerde hondenaaidag. Chinezen (niet-moslims) brachten hun honden mee, Maleiërs (moslims) mochten die aaien. Dat moest kunnen, zolang daarna maar op rituele wijze de handen gewassen werden om van de onreinheid af te komen. De organisator kreeg allerlei narigheid over zich heen van conservatieve politici, imams en schriftgeleerden. Gedreigd werd hem voor een islamitische rechtbak te slepen. Maar ik ben geen moslim. Ik ga door met aaien, de medepassagier draait zich om en loopt weg. Het herinnert me eraan, mocht dat nog nodig zijn geweest, dat ik op weg ben naar een land waar allerlei dingen niet kunnen of mogen die voor ons heel vanzelfsprekend zijn.

De route die we volgen, met ogenschijnlijk grote omwegen, een stuk op de grens met Azerbaidjan, en over smalle, slecht onderhouden wegen is niet wat je verwacht van een belangrijke verbinding tussen twee hoofdsteden. Er is weinig bevolking in het bergachtige zuiden van Armenië, wel veel aandenkens aan de Sovjet-tijd: de Lada’s waar bijna iedereen in rijdt, het Russisch op borden, het gesproken Russisch dat ik hoor tijdens een pauze.

Tegen het vallen van de avond zie ik dat de sneeuw die aan het vallen is blijft liggen en een geleidelijk groeiende laag vormt op bomen, struiken, de weg. Ik kijk op mijn telefoon hoe hoog we zitten: 1200 meter. Hm, dat is veel lager dan ik tot nu toe sneeuw gezien heb. En we gaan omhoog. Aanvankelijk lukt het te blijven rijden, maar op 1900 meter blijven we midden op de weg staan en moeten de kettingen om de wielen worden gelegd. Het is niet erg, er is bijna geen verkeer en ze hebben het vaker gedaan. Terwijl ze bezig zijn komt er een strooiwagen langs, een oude, getrouwe tienwieler met een kuip vol zout achterop en daarin staand iemand die met een schep het zout op de weg uitstrooit. Verderop is ook een schuiver bezig. Vlak na de pas, op 2530 meter deze keer, staat op de andere weghelft een vrachtwagen stil die het net niet zonder kettingen tot boven gehaald heeft, en al tweehonderd meter lager blijkt dat het aan deze kant beduidend minder gesneeuwd heeft. De kettingen kunnen er weer af.

Bij de grens wordt grondig te werk gegaan, aan beide kanten. De Armeniërs proberen er streng uit te zien, de Iranezen lijken te werken volgens de formule: makkelijker kunnen we het niet maken, leuker wel. Terwijl de één na de ander een riedel vragen afwerkt (waar ga je naartoe, hoe heet je vader, wat doe je voor werk, waar ben je geboren) en ze, met mijn paspoort in de hand, vragen of ik uit Duitsland kom? Uit Frankrijk? eindigen ze allemaal met: welkom! Bij het wisselen van honderd dollar ben ik meteen miljonair, het levert ruim drie miljoen rial op. Hoe vaak zou ik daavan in Iran een bord pasta met een goed glas Armeense witte wijn kunnen betalen? O nee.

In Iran wordt grotendeels over een goede zesbaans snelweg gereden. We maken goede vorderingen en ik slaag er zelfs in een paar uur te slapen in een comfotabele stoel met veel beenruimte.

De hond, de Armeense wijn, de afwezigheid van vrouwelijke passagiers in de bus: dat zijn dingen die me bezig houden op weg naar Teheran. En dan komen we aan en biedt zich een heel ander verhaal aan, bestaande uit de anecdotes waar dit bericht mee begonnen is. Ik zal hier alweer met nieuwe ogen moeten leren kijken. Dat is goed. Dat is immers één van de redenen waarom reizen een verrijkende ervaring kan zijn.

(Mijn weblog wordt in Iran geblokkeerd zo te zien. Eens kijken of ik via de app toch kan posten. Dat wordt dan zonder foto’s)