(Na periodes zonder internet en met onbruikbaar internet kan ik misschien nu weer iets plaatsen, de censuur omzeilend via een vpn-verbinding)

De ochtend na aankomst in Teheran, het is woensdag, ga ik aan het werk voor wat verreweg de hoogste prioriteit heeft: het Turkmeense doorreisvisum. Nog voordat de ambassade opengaat sta ik er voor de deur, samen met een Frans stel dat op de fiets onderweg is naar Mongolië en een paar mannen waarvan ik denk dat het Iraniërs zijn. Zodra het visumluik geopend wordt rennen deze laatsten erop af. Ze krijgen ieder een grote stapel paspoorten in de hand gedrukt; het blijken vrachtwagenchauffeurs te zijn die voor collega’s de paspoorten met visum zijn komen halen. Ik krijg een formulier om in te vullen en mijn ondersteunende documenten worden bekeken, waaronder de brief waarin ik mijn geplande route inclusief data en grensovergangen heb opgeschreven. Vriendelijk wordt me gezegd: dat gaat niet lukken, hoor.

Ehhh… Hoezo? Nou, vanwege de feestdagen. Eh… Welke feestdagen?

Zonder het te weten ben ik in Iran aangekomen vlak voor een periode waarin vaker niet gewerkt wordt dan wel. Overmorgen is het vrijdag, dan is natuurlijk alles dicht. Dat is duidelijk. De dag erop is het begin van de lente en daarmee Perzisch Nieuwjaar. Dat wist ik niet. Perzisch Nieuwjaar wordt gevierd als vier opeenvolgende vrije dagen, met de nadruk op vrij. Dit wordt steeds beter. Dan zijn er een paar dagen waarop in principe gewerkt moet worden, en dan volgen er nog twee feestdagen. Met zoveel feestdagen duurt het langer dan normaal voordat het visum klaar is.

Behulpzaam verandert de man achter het luik mijn planning, met rode pen. Niet voor 29 maart tot 2 april geldt nu de visumaanvraag, maar voor 2 april tot 6 april. Dat betekent dat ik een nieuw probleem heb: op mijn Iraanse visum mag ik maar tot 30 maart in Iran blijven. Dat sluit dus niet aan, laat staan dat het elkaar overlapt.

De Fransen hebben hun Iraans visum al een keer verlengd, ze leggen me uit waar ik moet zijn, het is ergens aan de andere kant van de stad. Het lijkt me het beste er vandaag nog heen te gaan. Na wat moeite om het te vinden kom ik er om één uur aan. Visum verlengen, kan dat nog, vraag ik in het wachthuis aan de ingang. Snel dan, het kantoor gaat over een half uur dicht. Binnen wordt in eerste instantie bij het bekijken van mijn paspoort gezegd: dat kan toch ook volgende week? Waarom heb je eigenlijk verlenging nodig? Maar dan krijg ik toch de formulieren om in te vullen. En het verzoek bij de bank 300.000 rial te gaan betalen.

Ik vraag in het wachthuis waar de bank is, en ze zeggen: als je daar echt heen wilt kunnen we je dat vertellen, maar er staat hier buiten de poort ook iemand die kant en klare betaalbewijzen heeft. Geef hem 35, dan ben je meteen klaar. Dat gaat kennelijk vaker zo, dus ik loop naar het ‘mannetje’ en begin briefjes bij elkaar te zoeken. Nee, zegt hij, ik wil vijfendertig. Ja goed, daar was ik al mee bezig. Weer onderbreekt hij me: ik wil vijfendertig! Hij ziet dat ik het niet snap en roept: vijfendertig! vijfendertig!

Dan wordt het opeens duidelijk. Het bedrag dat ik bij de bank zou moeten betalen is opgeschreven in rial. 300.000 rial is ongeveer tien euro. Maar niemand in Iran gebruikt ooit de benaming rial, iedereen heeft het over toman. Wat is toman? Haal van het bedrag in rial één nul af en je hebt toman. Deze man wil 35.000 toman, oftewel 350.000 rial. 300.000 voor de betaling, 50.000 als commissie. En waarom spreekt men over toman, terwijl op de bankbiljetten de bedragen in rial staan? Ze vinden die bedragen in rial zo hoog… Wanneer ik later tegen iemand zeg dat het me logischer lijkt drie nullen weg te laten in plaats van één antwoordt hij: daar zijn ze in het parlement mee bezig. Maar dat duurt lang…

Er zijn wel meer dingen niet duidelijk. Terug in het kantoor loop ik nog een paar keer heen en weer en word ik nog een paar keer weggestuurd voordat alles in orde is. De vriendelijke man die mijn dossier tenslotte accepteert knikt me ten afscheid toe. Maar ik wil nog weten wanneer ik mijn paspoort op kan halen. In plaats van een tijd of een dag
te noemen zegt de vriendelijke man: wanneer zou je het willen ophalen? Ik probeer: vandaag? Hij schudt het hoofd. Morgen? Morgen zou kunnen, zegt hij, maar dan zul je waarschijnlijk twee, drie uur moeten wachten. Zaterdag of zondag is beter. Ik herinner me wat ik eerder op de dag heb gehoord over feestdagen en zeg verbijsterd: maar dan bent u gesloten! Nee hoor, zegt hij, op zaterdag en zondag werken we.

image

Standaard verzameling artikelen die ten tijde van Nowruz (Perzisch Nieuwjaar) in huizen en op openbare plaatsen staan uitgestald. Ze symboliseren voorspoed, geluk en gezondheid.


Terug in het hotel wordt me verzekerd dat er geen schijn van kans is dat het kantoor deze zaterdag en zondag open is, want het is Nieuwjaar. De volgende ochtend (donderdag) zit ik er om negen uur, vraag of mijn paspoort klaar is, en krijg te horen dat ik moet wachten. Dus ik wacht. Ook hier kom ik twee Fransen tegen, ik zie ze al binnen komen en hun aanvraag indienen: dat zijn fietsers, dat kan niet missen. Deze zijn op weg naar Beijing, en we brengen de tijd door met praten over dingen waar fietsers, en reizigers in het algemeen, over praten. Visa bijvoorbeeld, en verlengingen, en ambassades en zo. Na drie uur wachten worden de paspoorten uitgereikt. De Fransen zijn klaar, we nemen afscheid. Mijn paspoort… is niet klaar. Een foutje? In ieder geval wordt het opgezocht en ergens mee naartoe genomen, en tien minuten later ben ik de laatste bezoeker die het kantoor verlaat. Met toestemming om tot 14 april in Iran te blijven. Pffff…

Met de speling die ik hu heb is een last van mijn schouders gevallen. En nu? Eigenlijk zou ik naar Isfahan willen, maar van verschillende kanten heb ik gehoord dat niet alleen naar Isfahan maar naar alle gewilde bestemmingen de komende dagen alle bussen en treinen volgeboekt zijn. Iedereen die in de gelegenheid is Teheran te verlaten doet dat ook. Bovendien is van Isfahan bekend dat de stad erg krap zit in de hotelkamers. En morgen beginnen de twee drukste weken van het jaar. Ik loop verschillende reisagenten langs die de verhalen bevestigen: bij het horen van het woord ‘Isfahan’ kijken sommigen voor de vorm even op de computer, anderen schudden meteen het hoofd.

En dus leg ik me erbij neer dat ik langer in Teheran ga blijven dan ik had gewild. Het worden rustige dagen, met veel lezen, films kijken, en een paar uur per dag buiten. Ontmoetingen als op de eerste dag blijven uit. Het lijkt erop dat ik zonder het rugzakje niet als buitenlander herkenbaar ben: regelmatig word ik zowel door mannen als door vrouwen op straat aangesproken, waarschijnlijk om de weg te vragen, een enkele keer gaat het om een sigaret, maar altijd door mensen die geen andere taal spreken dan Perzisch.

image

Koreaanse import wordt welwillend bekeken.


Af en toe is er gelegenheid voor een gesprekje met iemand die Engels spreekt: in het hotel, aan een gedeelde tafel in een kebabrestaurant. Ik probeer bij die gelegenheden vragen te stellen en tref mensen die graag antwoord geven.

Zo spreek ik b.v. een jongeman met meningen. De onderhandelingen in Lausanne zullen voor Iran niets opleveren, daarvan is hij overtuigd, want het Westen gebruikt het argument ‘mensenrechten’ als reden om de sancties onveranderd te laten, terwijl: het terechtstellen van moordenaars en verkrachters, dat is toch hun verdiende loon? En de politie heeft speciale afdelingen voor dit soort misdrijven, dat zijn professionals, die zullen echt geen onschuldigen oppakken. Ik hou mijn mond, voer niet aan dat het bij mensenrechten niet om moordenaars en verkrachters gaat en dat het bij de onderhandelingen om Iran’s atoomprogramma niet eens om mensenrechten gaat. Ik vind hem een beetje eng.

Hij heeft, ondanks het voorgaande, ook grote kritiek op de eigen regering, maar op een ander vlak. Na zijn universiteitsstudie heeft hij geen behoorlijke baan kunnen vinden omdat hij nog in dienst moet. Hij is getrouwd en om rond te komen werkt hij in twee slecht betaalde voltijdbanen, zestien uur per dag. Kinderen kan hij zich niet veroorloven. Volgend jaar moet alsnog de dienstplicht vervuld worden, twee jaar praktisch zonder inkomsten, waarvan moet zijn vrouw dan leven? Het is mogelijk onder de dienstplicht uit te komen, maar daar is veel geld voor nodig. En voor een goeie baan na de diensttijd moet je de juiste mensen kennen.

image

Muurschildering in Teheran. Iets Arabisch, legt iemand me uit. Iets godsdienstigs, zegt een ander.

Een ander, van een jaar of dertig, vraag ik hoe hij zulk goed Engels geleerd heeft. Vier jaar in Engeland gewoond, zegt hij. Kon dat zomaar, wil ik weten. Nee, niet zomaar. Hij heeft een maand in Dubai moeten doorbrengen, waar een Britse ambassade is (de ambassade in Teheran is in 2011 in alle haast verlaten na een aanval door ‘boze studenten’), om alles rond te krijgen. Het wil nogal eens voorkomen dat Iraniërs niet meer terug naar hun eigen land gaan, dus daar zijn ze scherp op, zegt hij.

Nog een ander, weer iets ouder, vraag ik hoe dat nou zit: kunnen Iraniërs hun land verlaten als ze dat willen of hebben ze daar toestemming voor nodig? Mannen die hun dienstplicht nog niet hebben vervuld kunnen niet zomaar weg, zegt hij. En vrouwen? Vrouwen onder de dertig hebben toestemming nodig van hun vader. Als ze getrouwd zijn moeten ze toestemming van hun man hebben. Zonder toestemming kunnen ze niet weg. Natuurlijk wil ik weten: waarom? De vraag brengt hem zichtbaar in verlegenheid. Hij zegt: ja… er zijn in het verleden… problemen geweest. Wat voor problemen dan? Hij aarzelt, kijkt naar de grond, draait wat rond. Tja… Neem me niet kwalijk dat ik het zeg, maar… het is voorgekomen dat Iraanse vrouwen naar Dubai gingen om… eh… zaken te doen. Begrijp je? Ik begrijp het. Hij gaat door: arme vrouwen natuurlijk, en het probleem is dat we daar heel veel van hebben en dat Arabieren… rijk zijn. Dat kun je dan ook als oplossing zien, grap ik. Hij glimlacht beleefd en doet er het zwijgen toe. Ik bedenk dat één van de implicaties is dat ervan uitgegaan wordt dat een vrouw van boven de dertig geen zaken meer kan doen in Dubai.

image

Tot ziens Teheran, op naar Isfahan.


Op de laatste van de vier feestdagen rond het Perzisch Nieuwjaar waag ik de reis naar Isfahan. Bij aankomst op het busstation laat ik me naar een bus leiden die op het punt staat te vertrekken en waarvan nog de laatste paar stoelen gevuld moeten worden. Mooie, zes uur durende rit door een woestijnig landschap dat met ‘Echoes of Egypt’ van David en Diane Arkenstone op de koptelefoon van een mystieke, serene schoonheid is.

Na aankomst rijd ik de stad door met een jonge werktuigbouwkundig ingenieur die van de feestdagen gebruik maakt om wat bij te verdienen als onofficieel taxichauffeur. Alle hotels waar we naar binnen lopen blijken nog steeds vol te zijn en hij gaat ertoe over hotels te bellen in plaats van erheen te rijden. Tevergeefs. Ten slotte vraagt hij: een appartement, is dat ook goed? Tuurlijk, dat kan ook, als het niet te duur is. En na nog een telefoontje rijden we terug naar de omgeving waar we begonnen waren, vlak bij het busstation. In een woonwijk belt hij ergens aan, en we gaan naar binnen in wat voor de komende vier nachten mijn onderkomen gaat worden. Aan alles is te zien dat degene die me de sleutels geeft er met zijn vrouw en kind zelf woont; ik neem aan dat ze voor een paar dagen bij familieleden intrekken en wat ik betaal zien als extra inkomsten.

image

Van buiten gezien

image

En binnen


Een jaar of veertig geleden werd in het blad Avenue een reisverslag gepubliceerd van Cees Nooteboom, die zijn verhaal over Isfahan begon met een gedicht over de stad waarmee een kader en een sfeer geschapen werden die in de lezer -mij- een verlangen opwekten het land en de stad zelf te bezoeken. Nu ik er eenmaal ben is er niet veel van die sfeer over. De werkelijkheid die ik om me heen zie is weinig poëtisch: een appartement in een gebouw dat bij een miniem aardbevinkje gegarandeerd tegen de vlakte gaat, in een buurt die vol staat met dergelijke gebouwen, met wat buurtwinkeltjes vlakbij waar wasmiddel, frisdrank en koekjes verkocht worden, maar niets waar een maaltijd te krijgen is, of zelfs de ingrediënten ervoor. Ver van het centrum van de stad. In de buurt van het busstation, dat wel. Op Google Maps is te zien dat daar ook een metrostation is, maar wanner ik ernaar op zoek ga kan ik het niet vinden. Bij een informatiebalie vraag ik met een enkel woord wat ik wil weten: metro?, maar geen van de twee medewerkers begrijpt wat ik bedoel. Dan laat ik het metrostation op Google Maps zien, met de Perzische tekst erbij, en met zijn tweeën zeggen ze: o, metro!, gevolgd door: no metro. Later blijkt dat de metrolijn die iets zal moeten doen aan de hopeloze chaos in het verkeer nog in aanbouw is. Dan maar lopen. Meer dan een kilometer of vier, vijf is het niet naar het centrum, en al lopend zie je van alles. Later zal ik ontdekken hoe je met de bus in het centrum komt, en terwijl deze zich met een slakkegang een weg vooruit vecht door het verkeer zal ik blij zijn met wat aanvoelt als kleine overwinning.

Ik denk gebruik te maken van de wasmachine om mijn kleren te wassen, maar krijg te maken met een machine die om de haverklap zonder stroom zit en in plaats van de programma’s die erop vermeld staan hele eigen en volstrekt onbegrijpelijke dingen doet. Centrifugeren lukt al helemaal niet, zodat ik na een uur ‘wassen’ mijn zeiknatte kleren, die tegen het eind een paar minuten met waspoeder in aanraking zijn geweest maar dat waspoeder niet meer zijn kwijtgeraakt, met de hand uitwring en over stoelen hang. Mijn humeur is hier niet beter van geworden, en om me op andere gedachten te brengen denk ik een lange wandeling te gaan maken. Bij de voordeur draai ik alweer om: het regent.

Het regent nooit in Isfahan!

image

Ingang van de Imam Khomeini moskee

Het komt natuurlijk wel goed. Ik ga af en toe het centrum in en bewonder braaf oude moskeeën die worden gerestaureerd en nieuwe die worden gebouwd. Ik wandel door bazaars en winkelstraten en geef de hoop niet op iets anders te eten te vinden dan de overal verkrijgbare kebab. Ik slenter door parken samen met drommen Iraniërs die uit het hele land zijn gekomen om de vakantieperiode in de beroemde stad door te brengen. En ik blijf lange tijd hangen in wat qua oppervlakte de grootste attractie van de stad is, en wat mij betreft de meest indrukwekkende: een enorm plein, afgesloten voor het verkeer, waar ik ongegeneerd kan kijken naar gezinnen, families, stellen en groepen vrienden of vriendinnen die er wandelen, elkaar fotograferen en genieten van de lentezon.

image

Deel van het Hele Grote Plein


Het zijn vooral oudere vrouwen die een chador dragen over de eigenlijke kleding heen. Minder oudere geven de voorkeur aan een jas die op zijn minst tot aan de bovenbenen valt en een kleurrijke sjaal die het hoofd bedekt. Jonge vrouwen en vooral meisjes zoeken de grenzen van het toegestane op: hevige make-up, opzichtige zonnebrillen, nauwsluitende tunieken en broeken, en hoofddoeken in opvallende kleuren die zo ver mogelijk naar achteren geschoven zijn en die dus, om te voorkomen dat ze van het hoofd glijden, regelmatig iets naar voren getrokken moeten worden met een gebaar dat herinnert aan West-Europese tieners die zorgvuldig hun spijkerbroeken een centimeter omhoog trekken om te voorkomen dat ze helemáál in hun onderbroek staan. Opvallend veel jonge vrouwen hebben een verbandje over de neus, stille getuige van een recent uitgevoerde correctie.
image

Populair winkeltje


Na vier dagen in Isfahan wordt het tijd naar Mashhad te gaan. Eens kijken of ik het aangevraagde doorreisvisum voor Turkmenistan daar op tijd kan afhalen voor de korte, snelle doorsteek van dat land naar Oezbekistan toe.