Er zijn twee stadsbussen voor nodig om vanuit het centrum van Mashhad bij het noordelijke busstation te komen van waar bussen vertrekken in de richting van de Turkmeense grens, maar ik heb er drie nodig, want ik begin al met de verkeerde kant op te gaan. Wanner dit duidelijk wordt geven de chauffeurs van verschillende bussen me aan elkaar over om te zorgen dat ik goed terecht kom en wijzen ze me de weg. Eén van hen, die een bus bestuurt waar alleen met een magnetisch kaartje betaald kan worden, schudt glimlachend met het hoofd wanneer ik hem geld wil geven, wijst me een lege zitplaats en roept me nog terug nadat ik al ben uitgestapt, om me vanuit een schoteltje dat hij naast zich heeft staan een paar caramels te geven.

De regionale bus die goed is voor de eerste 120 km naar de grens doet over deze afstand vier uur, voornamelijk doordat er een fantastische file de stad uit gaat. Wat begint als vier rijstroken waarover zes rijen auto’s als rupsen voortkruipen verandert enkele tientallen kilometers later in twee rijstroken en twee à drie rijen, dus met deze hoeveelheid verkeer was filevorming onvermijdelijk. Maar waarom is er zoveel verkeer? In eerste instantie denk ik dat het mensen zijn die Mashhad via het noorden verlaten om terug naar Teheran te gaan, al is het geen voor de hand liggende route. Later, dichter bij de grens, waar het landschap op een nogal fraaie wijze rotsachtig wordt, besef ik dat het weer zo’n feestdag is, de Landelijke Natuurdag in dit geval, een dag waarop kennelijk iedereen de stad uit trekt om de natuur op te zoeken.

Natuur in de buurt van de Iraans-Turkmeense grens.

Natuur in de buurt van de Iraans-Turkmeense grens.

Want dat doen ze. Auto’s zijn volbeladen, afgeladen. Flinke tapijten zijn meegenomen om met de hele familie op te zitten, verder voedsel, barbecues, kookstellen, tenten, dekens. Op een idyllische plek naast de weg wordt dat allemaal uitgeladen, uitgerold, opgezet, in gebruik genomen. Iemand is op het idee gekomen een schommel aan een boom op te hangen, anderen hebben een waterpijp meegenomen. De tenten zijn overal verkrijgbaar, en zijn bijna allemaal van het soort dat je uitpakt, in de lucht gooit, en voordat het de grond raakt heb je een tent. Charlotte en ik hebben weleens geamuseerd toegekeken terwijl kampeerders in Europa, die een Decathlon-tent van een soortgelijk ontwerp hadden gekocht, urenlang vergeefs probeerden deze ‘s morgens weer in te pakken, omdat ze het niet nodig gevonden hadden ermee te oefenen voordat ze op reis gingen. Een beetje als met sneeuwkettingen, zeg maar. In Iran zal dat niet voorkomen: iedereen weet hoe zo’n tent werkt.

Natuurdag, een dag om de natuur in te gaan.

Natuurdag, een dag om de natuur in te gaan.

De regionale bus brengt me tot in een plaats die wisselend wordt geschreven als Quchan, Qoochan, Ghuchan of Ghochan, en daar word ik overgedragen aan een taxichauffeur die me meeneemt naar de rand van het stadje en me op zijn beurt overdraagt aan een taxichauffeur die me verder brengt naar Bajgiran, bij de grens. Nog ben ik er niet: alleen een minibusje mag de laatste twee kilometer overbruggen.

Best wel fraaie natuur.

Best wel fraaie natuur.

Het is intussen vroeg in de middag, en misschien daarom tref ik bij de grens niet de toestanden aan die door anderen, die ervoor zorgden er vroeg te zijn, als een chaos zijn omschreven. Het is rustig, er zijn wat Turkmeense vrouwen die met handelswaar uit Iran zijn teruggekeerd, gracieuse verschijningen, gekleed in een nauwsluitende, tot op de enkels vallende jurk met daarboven een jasje en het lange haar in een knot gebonden en met een sjaal omwikkeld. Ik volg hun voorbeeld, ga waarheen zij gaan, leg mijn paspoort bij hun paspoorten, neem afstand zoals zij doen, wacht af. Pas bij de Turkmeense paspoortcontrole wordt het iets drukker en begint enig gedrang, maar een oudere, wat gezette heer in uniform die al liep te surveilleren en om wiens grappen iedereen beleefd lachte grijpt in: een paar woorden, en de menigte maakt plaats voor mij, zodat ik bij het loket kan komen. Tegen mij zegt hij: ‘Holland?’ Ik heb intussen een paar keer moeten zeggen waar ik vandaan kom, het nieuws heeft zich verspreid.

Terwijl mijn paspoort wordt bekeken grijpt een knul naast me de gelegenheid aan: ‘Holland?’ zegt hij, om er meteen verontschuldigend toe te voegen dat hij ‘small English’ spreekt. ‘A little bit?’ zeg ik, maar dat begrijpt hij al niet. Dan begint hij een hele rij Nederlandse voetbalspelers op te noemen, en ik realiseer me dat ik dat gemist heb. In Iran, wanneer me gevraagd werd waar ik vandaan kwam, leidde dat nooit tot het onderwerp voetbal maar werd weleens goedkeurend geantwoord: ah, Nokia! Op het eind liet ik dat maar zo en stemde ik er zelfs geestdriftig mee in. Waarheid en werkelijkheid waren minder belangrijk dan zo’n kort moment waarop het lijkt dat je iets nader tot elkaar gekomen bent.

Bij het loket wordt me gevraagd of ik Russisch spreek. Het voelt een beetje als thuiskomen. Taal is dat: een beetje thuis. Wie het accent en de woorden heeft van anderen is thuis, maar zelfs een beetje gedeelde woordenschat is genoeg om een band te scheppen die anders niet zou kunnen bestaan. Bezoek een land waarvan je de taal niet spreekt, wat kun je doen? Musea bezoeken. Gebouwen, muren. Wat daarbuiten gebeurt ontgaat je. Ik weet waarover ik het heb: ik heb net twee weken in Iran doorgebracht. Weliswaar is Russisch in Turkmenistan voor de meesten een tweede taal, maar toch: het is wel deel van het erfgoed. Deel van de cultuur. Een deel waar ik, op mijn bescheiden wijze, mee verbonden ben, ook al ben ik hier nooit geweest.

Ook de oudere heer in uniform spreekt Russisch. Ik vraag hem wat ik nu verder moet doen, en hij antwoordt dat er een busje komt (het heet hier weer marsjroetka) waarmee we tot buiten het grensgebied worden gebracht. Hij roept een soldaat bij zich en geeft hem wat opdrachten in het Turkmeens. Daarna vertaalt hij naar mij toe: ‘het busje dat zo komt zal door de vrouwen worden bestormd, want er is niet genoeg plaats voor iedereen. De soldaat zorgt ervoor dat je een plekje krijgt.’ Ik bedank hem hartelijk. Het busje komt. Het gaat precies zoals hij heeft beschreven.

Van de hoofdstad Ashgabat is bekend dat president Niyazov, die vanaf de onafhankelijkheid tot aan zijn dood in 2006 aan de macht was en zichzelf in alle bescheidenheid Türkmenbaşy (vader der Turkmenen) liet noemen, er een groot plan voor had dat onder zijn opvolger Berdimuhamedov wordt voortgezet: de stad moet indrukwekkend zijn, en wit. Een groot deel bestaat uit recent neergezette overheidsgebouwen en flats, de meeste in een stijl die kenners waarschijnlijk neoklassiek zullen noemen en alle bekleed met wit marmer. Lantarenpalen zijn wit. Onlangs werd per decreet bepaald dat overheidsvoertuigen wit moeten zijn, bussen zijn dat al. Zelfs de hemel waaronder ik de stad inrijd is wit.

Bij al dat wit steken straatveegsters nogal af.

Bij al dat wit steken straatveegsters nogal af.

De links en rechts oprijzende imposante, witte gebouwen met veel open ruimte ertussen doen me denken aan Putrajaya, het prestigeproject van de Maleisische overheid dat bakken met geld gekost heeft, waar alle overheidsdiensten gevestigd zijn maar waar de woontorens maar niet vol willen raken en plannen voor openbaar vervoer al jaren geleden voor onbepaalde tijd zijn uitgesteld.

Instituut van Het Een of Het Ander

Instituut van Het Een of Het Ander

De volgende dag loop ik lang door de stad, verbaasd. Zelfs in de wijken die niet wit zijn heerst niet de troosteloosheid die woonwijken in andere voormalige Sovjetrepublieken kenmerkt. Delen van de stad die wel wit zijn doen zelfs welvarend aan, met brede, goede wegen en trottoirs, voetgangertunnels, veel versieringen. In het verkeer valt een enkele oude Lada onmiddelijk op tussen de nieuwe, grote Toyota’s. Waarvan is dit allemaal betaald? (Het antwoord: de hele Turkmeense economie drijft op de export van gas). En hoeveel mensen zijn voor de stadsontwikkeling uit hun huizen gezet, hoeveel huizen neergehaald? Nog iets wat opvalt: overal staan politieagenten op wacht. Wanneer iemand me vertelt dat fotograferen in de hele stad verboden is en dat iedere agent daar boetes voor kan (en zal!) uitdelen besef ik dat ik tot nu toe geluk heb gehad en zie ik van verder fotograferen af.

Dit moet één van de laatste plaatsen zijn waar Lenin nog steeds op zijn voetstuk staat...

Dit moet één van de laatste plaatsen zijn waar Lenin nog steeds op zijn voetstuk staat…

Turkmenabat ligt negeneneenhalf uur verderop, via een weg die aanvankelijk nog langs akkers voert die gaandeweg overgaan in steppe en tenslotte woestijn. Enkel de nacht breng ik er door, om de volgende ochtend de grens met Oezbekistan over te steken. De Turkmeense manats die ik nog heb na in Ashgabat dollars gewisseld te hebben (pinautomaten werken alleen met binnenlandse kaarten) worden in het hotel dat ik vind niet geaccepteerd: buitenlanders betalen overal in Turkmenistan hogere prijzen voor hotelkamers en kunnen alleen met dollars afrekenen. Verder moet alles met manats betaald worden. Na wat praten over wat ik nu met het geld moet doen dat ik over heb loopt iemand met een deel ervan naar buiten, om even later met dollars terug te komen. Dit is hartstikke illegaal, maar niemand hoeft het te weten.

Er mag wel meer niet in dit land. Je mag niet na donker over straat. En hier is een aardige: in restaurants mag gerookt worden, maar op straat niet. Word je op straat betrapt met een sigaret, dan kost dat de eerste keer een boete, de tweede keer ga je voor twee weken het gevang in. En wie eenmaal heeft gezeten kan zomaar weer opgesloten worden, daar is niet eens een goed excuus voor nodig.

Dit vertelt me de barman bij een glas bier in het hotel. Hij is jong, hij heeft op school zowel Engelse als Russische les gehad, maar spreekt alleen dat laatste. Engels is te moeilijk, vindt hij. Die mening zullen zijn landgenoten wel delen, want ik ben niemand tegengekomen die Engels sprak. En wanneer ik hem begin te vertellen waarom ik Russisch heb geleerd en even aarzel vult hij aan: want Russisch wordt overal gesproken. Nou, overal… werp ik tegen, overal niet hoor. Er zijn landen waar geen Russisch gesproken wordt. Hij kijkt verbaasd. En gaat dan door: er zijn er bij ons ook veel die Turks spreken. Turkmeens is natuurlijk verwant aan Turks, en heel wat mensen gaan voor langere tijd in Turkije werken en spreken de taal vloeiend wanneer ze terugkomen.

Toen ik in ’91 in Frankrijk ging wonen begon ik te begrijpen waarom zoveel Fransen meenden dat iederéén hun taal sprak. In die tijd gingen ze behalve in eigen land vooral op vakantie in overzeese gebiedsdelen die inderdaad over de wereld verspreid liggen, maar meer dan dat deed misschien de televisie: waar ter wereld ook iets gebeurde dat het journaal haalde, altijd slaagden de verslaggevers erin een omstander te vinden die het gebeurde in een redelijk Frans van commentaar kon voorzien. Zo groeit, zonder dat iemand dat ooit met zoveel woorden zegt, geleidelijk de indruk dat de hele wereld Frans spreekt. En zo kon het op onbegrip stuiten dat Engelsen naar Frankrijk op vakantie gingen en verwachtten er hun eigen taal te kunnen spreken. Intussen is ook in Frankrijk het bewustzijn gegroeid dat Engels erg handig kan zijn. Wat dat betreft lopen veel Europese landen nog achter.

De gemiddelde Nederlander zal weliswaar niet verwachten overal met Nederlands terecht te kunnen maar er wel van overtuigd zijn dat Engels de sleutel tot de wereld is. En wie blijft komen in landen of delen van landen waar dat klopt heeft geen reden te twijfelen aan deze overtuiging. Maar er zijn meer sleutels, veel meer dan je kunt vermoeden.

De volgende dag blijkt dat ik me geen zorgen had hoeven maken om de overgebleven manats. Bij de Oezbeekse grens staan mensen die alle relevante valuta kunnen wisselen: Turkmeense manat, Oezbeekse som en Amerikaanse dollar. Ook deze grensovergang is rustig. Aan de Turkmeense kant moet ik een douaneverklaring invullen die alleen in het Turkmeens is opgesteld, maar een soldaat helpt me ermee. Aan de Oezbeekse kant zijn het ook de douaneformaliteiten die (verreweg) de meeste tijd in beslag nemen. De douanier met wie ik te maken heb is even vriendelijk als grondig, en hij bekijkt op mijn telefoon en mijn iPad alle foto’s en alle films om zeker te zijn dat er geen pornografisch materiaal tussen zit. Voldoe ik aan een profiel? Er wordt aan mij beduidend meer tijd gespendeerd dan aan anderen, in tegenstelling tot mijn ervaringen bij andere grenzen. Maar de eer van de Oezbeekse natie blijft ongeschonden: ik ben natuurlijk al door Iran gekomen.

Aan het begin van de middag kom ik aan in Bukhara, waar weer internet is en waar het volgende bericht vandaan gaat komen.