Voordat ik Bukhara verlaat ga ik ‘s avonds nog ergens naar binnen waar op een bord op straat tapbier beloofd wordt. Twee mannen drinken bier en pellen een soort noten die ik niet herken, een vrouw is bezig net op een tafel uitgerold deeg te snijden en te vullen met een ‘fars’: een mengsel van gehakt en lenteui. Ze is pelmeni aan het maken, een soort pasta die door de hele Sovjet-Unie bekend is.

Ik bestel bier en een schaaltje van die onbekende noten, en terwijl zij me vanaf haar tafel goedmoedig uithoort over wie ik ben en waarom, leggen de mannen me uit dat dit de pitten van abrikozen zijn, in water geweekt totdat ze open gaan, daarna gedroogd en gezouten. Het doet denken aan pistache, maar dan donkerder en met een rokerige smaak, en erg lekker bij het bier.

Aangezien zij intussen alles over mij weet vind ik dat ik ook een paar vragen mag stellen. Ze heet Marina, is (hoe oud schat je me dan? – ik denk zestig, en zeg vijftig) even oud als ik (zesenvijftig dus) en zesvoudig grootmoeder. Haar dochters wonen in Tashkent en zijn beide arts. Haar zoon woont in Bukhara. Ze is gepensioneerd muzieklerares en helpt haar broer, de eigenaar van het café. De pelmeni die ze maakt zien er goed uit en ik vraag of ik daar een bord van kan hebben. Natuurlijk, en hoe wil ik ze hebben? Het wordt zo eenvoudig mogelijk, met wat verse lenteui, peterselie en zure room. Ze verdwijnt de keuken in. Later, terwijl ik eet en bedenk hoe lekker een eenvoudig gerecht met verse ingrediënten kan zijn komt ze vragen hoe het bevalt en kan ik naar eer en geweten zeggen dat dit de beste pelmeni zijn die ik ooit gegeten heb, en het doet haar zichtbaar plezier. Tegen de tijd dat ik vertrek hebben we elkaar allerlei goeds toegewenst en weet ik dat ik, na een avond met abrikozenpitten, pelmeni en een gastvrije ontvangst, weer iets heel bijzonders beleefd heb.

De volgende ochtend stap ik in zo’n taxi die gedeeld wordt door meerdere mensen, die dus ook de kosten delen. In het hotel had ik gevraagd hoe ik het beste een treinkaartje naar Tashkent (Tasjkent) kon kopen, maar de knaap achter de balie bezwoer me dat een deeltaxi sneller, gemakkelijker en goedkoper zou zijn. Ik vertelde hem dat ik liever met de trein ging, waarop hij een nummer belde dat continu in gesprek was en zei: het station is ver weg en ik kan het niet te pakken krijgen. De taxi brengt je van deur tot deur. Weet je zeker dat je met de trein wilt? Ik zwichtte en hij belde een chauffeur. Die wil tweeëntwintig dollar, zei hij, dat moet goedkoper kunnen. De volgende ging akkord met twintig dollar.

Bij die stap ik dus ‘s morgens in. Hij vertelt wat hij krijgt voor de rit: iets meer dan de helft van wat ik betaald heb, de rest heeft de knaap gehouden. Nu begrijp ik waarom die erop gestaan had zelf mijn geld aan de chauffeur te geven, zogenaamd omdat de chauffeur geen Engels sprak. Nou en? had ik nog gedacht, maar ik had gedaan wat me gevraagd werd. Nog drie passagiers erbij zegt de chauffeur, dan kunnen we gaan. Die wachten toch zeker al, vraag ik. Nee, er wacht niemand. Wij moeten wachten tot er drie bijgekomen zijn. Kan lang duren. Heel lang zelfs. Ik denk: wacht even…

Hij heeft een voorstel. Als ik twintig dollar bijbetaal kunnen we meteen gaan. Ik voel me genaaid en weiger. Wat later ga ik toch akkoord, met tegenzin. We gaan op weg en de chauffeur wijst me van alles aan: kijk, abrikozenbomen. Kijk, een Koreaans industriegebied. Een vliegveld met een terminal voor Koreaanse vrachtvluchten.

Het was me al opgevallen dat, op wat Lada’s na, alle auto’s van Daewoo of Chevrolet zijn. De autofabrieken van Daewoo zijn na het faillissement van het conglomeraat overgenomen door General Motors, dat verklaart de Amerikaanse aanwezigheid. Alle auto’s worden in Oezbekistan gefabriceerd, import is voor bijna iedereen onbetaalbaar door de gigantische heffingen die daar bovenop komen. Maar behalve GM is de buitenlandse invloed vooral Aziatisch: zo is er een heel industriegebied waar in tientallen fabrieken uitsluitend Koreaanse producten gemaakt worden. Het is tekenend voor wat in de regio gebeurt: van Iran tot Myanmar is me gewezen op voorbeelden van Aziatische soft power: Turkse scholen, Koreaanse fabrieken, Chinese mijnen en infrastructuur.

Onderweg wordt af en toe getelefoneerd, in het Oezbeeks. Halverwege tussen Bukhara en Samarkand stopt mijn taxi bij een al wachtende taxi met drie passagiers en moet ik overstappen. De eerste chauffeur geeft de tweede een deel van het geld dat ik betaald heb en houdt zelf het grootste deel. Ik kan niet anders doen dan dit allemaal ondergaan, ben vooral woest over de deceptie door de knul in het hotel, en besluit nooit meer een Oezbeek te vertrouwen. Sjoemelaars zijn het. Raddraaiers.

De weg is afgrijselijk. Er zitten zoveel gaten in dat ze onmogelijk allemaal te vermijden zijn. We passeren meerdere politiecontroles.

Eén van de eerste dingen die ik doe na aankomst in Samarkand is naar het treinstation gaan om een kaartje naar Tashkent te kopen, voor de volgende dag. Daarna loop ik rond, in t-shirt in de lentezon, bekijk wat eens het middelpunt was van een rijk dat behalve Centraal-Azië ook delen van Turkije, het Midden-Oosten, Pakistan en India omvatte, en eet een voortreffelijke soep en voortreffelijke kebab. Langzaam wordt Samarkand mooier en mooier.

De trein is een comfortabele manier om in Tashkent te komen. Er zijn meer mensen die er zo over denken: alle stoelen zijn bezet. Zonder een plaatsbewijs met een rijtuig- en stoelnummer kom je de trein en zelfs het station niet in, dat voorkomt problemen met te weinig zitplaatsen en geweld tegen spoorwegmedewerkers. Er gaan dan ook maar twee treinen per dag op dit traject, dus dat is voor de spoorwegen te overzien. Bovendien moet je, om het station binnen te komen, al door een veiligheidscontrole die niet onderdoet voor die van een gemiddeld vliegveld.

Bij aankomst in Tashkent staan taxichauffeurs hun diensten aan te bieden. Nee, zeg ik, ik zoek zelf wel een hotel. O zoek je een hotel? Ik weet iets, niet duur en vlakbij, kom maar mee.

Daar begint het mee. Wat volgt is een verhaal over een taxichauffeur dat tot de volgende ochtend verder gaat en dat ik niet in alle details wil vertellen, daar schaam ik me te zeer voor, want ik had toch beter moeten weten. Waar het op neer komt: voor twee ritjes binnen de stad (station-hotel en hotel-bazaar waar auto’s naar het Ferganadal vertrekken) heb ik uiteindelijk dertig euro betaald (veel en veel te veel, en dat is nooit mijn bedoeling geweest), en voor dik vierhonderd kilometer naar de grens (er gaat geen trein of bus) nog eens 120. Iemand anders voert de rit naar de grens uit, en die is betaald tot Andijan, op veertig kilometer van de grens, in plaats van de hele weg zoals mij beloofd is. Hij heeft bovendien maar een kwart gekregen van wat ik aan de eerste chauffeur betaald heb, die heeft de rest zelf gehouden, zonder er iets voor te doen. Hoe heb ik me in godsnaam toch weer zo kunnen laten besodemieteren? Ik heb me laten overrompelen, dat is duidelijk, maar hoe is dat gebeurd?

Ik probeer alles te reconstrueren, zie dingen die niet klopten, maar het blijft onduidelijk waarom ik niet in het begin al gezegd heb: stop. Dat had meteen gemoeten. Later werd het ingewikkelder, omdat er misverstanden of vaagheden waren en ik akkord begon te gaan met voorstellen die het mogelijk moesten maken snel het land te verlaten. Ik had genoeg van deze oneerlijke mensen, ik wilde weg. Gedeeltelijk was het ook een kwestie van: steeds een klein stapje verder. Stemde ik ergens mee in, dan was dat een signaal dat er nog meer te halen viel, dat ik geconfronteerd kon worden met problemen die opgelost konden worden met iets meer geld, of dat een nieuw voorstel gedaan kon worden dat alles nog gemakkelijker voor me zou maken en, alweer, iets duurder was. En met kleine stapjes is het lastig nee te zeggen, lastig te bepalen wanneer het nu echt te gek wordt en op te geven wat je denkt geregeld te hebben. Ik dacht steeds overal mee klaar te zijn, en dan bleek meer geld nodig te zijn door omstandigheden waar ik niet op voorbereid was en die me in verwarring brachten. Zo zeer heb ik me laten overrompelen dat de oneerlijke chauffeur serieus gedacht moet hebben nog een fooi van me te kunnen loskrijgen; hij heeft er zeker tien keer om gevraagd. Denk je dat ik een sukkel ben? Jahaa!!!…

De chauffeur die me naar de grens rijdt kan er ook niets aan doen. Een doodgoede man, een etnisch Kirgiziër maar geboren en getogen in Oezbekistan, spreekt Oezbeeks en Russisch, werkt, zoals zo velen, af en toe in Rusland. Samen schelden we op de oplichter, hij toont er begrip voor dat ik het land uit wil. Voor het zover is neemt hij nog de moeite me Andijan te laten zien, koopt appels en water voor me – mijn Oezbeeks geld is op.

Aan de Oezbeekse kant van de grens word ik weer heel grondig onder de loep genomen. Uitgebreide controle van de gelddeclaratie om zeker te weten dat ik niet méér buitenlandse valuta uitvoer dan ik heb ingevoerd, controle van de registraties die bewijzen waar ik elke nacht heb doorgebracht, en controle van mijn bezittingen, waarbij ieder voorwerp aandachtig wordt bekeken, omgedraaid en nog eens bekeken, en opnieuw alles wat op de iPad en telefoon staat wordt geïnspecteerd, deze keer misschien om uit te vinden of ik heb gefilmd of gefotografeerd op verboden plaatsen, tunnels bijvoorbeeld.

Aan de Kirgizische kant neemt alles vijf minuten in beslag: stempel in het paspoort, geen visum nodig, geen douane. Ahhh…. Een beschaafd land.

Osh is een beetje Bishkek in het klein. Aan Bishkek heb ik goede herinneringen, ik heb er immers twee jaar geleden een paar maanden doorgebracht. Deze keer zal ik daar een aantal dagen zijn, om een Chinees visum aan te vragen. Na een overnachting in Osh stap ik in een taxi voor de elf uur lange, door het land slingerende reis naar de hoofdstad. Drie uur wachten later zijn er genoeg passagiers en kunnen we vertrekken.

Een onvergetelijke tocht. Het landschap is van een onbeschrijfelijke schoonheid. Dat is misschien wat makkelijk gezegd, want wat onbeschrijfelijk is kan beter niet beschreven worden: iedere poging daartoe is immers bij voorbaat tot mislukken gedoemd. Het zij zo. Ook de paar foto’s die hieronder staan kunnen niet overdragen wat er allemaal voor moois te zien was. Om te beginnen zijn ze uit een rijdende auto genomen, verder met een telefoon – wat wil je daarmee bereiken? Maar bovendien waren er delen van de tocht (vooral tussen Karaköl en Toktogul) waar ik graag een paar weken had doorgebracht met een echte camera en een statief, om ‘s morgens vroeg en tegen de avond, wanneer een warm, laag licht het reliëf tot leven brengt, te fotograferen. Vanuit de auto heb ik iedere paar honderd meter een plek gezien waar ik zelf gestopt zou zijn, plekken met een voorgrond, een achtergrond, diepte tussen de twee en een perfecte lichtval.

Onvergetelijk ook omdat ik voortdurend word herinnerd aan de statistieken die ik al eerder heb aangehaald: per duizend inwoners zijn er in Kirchizië veel minder gemotoriseerde voertuigen dan in Nederland, maar ligt het aantal verkeersslachtoffers veel hoger.

De chauffeur kan er niet tegen te worden ingehaald. Wanneer hij op tijd door heeft dat dat gebeurt en we achter iemand anders rijden, geeft hij gas om het gat te dichten, zodat de inhaler er niet tussen kan. Wanneer de inhaler slaagt in zijn bedoelingen ontstaat meteen een race. Een klein leutertje, denk ik dan, en toch heeft hij vijf kinderen, maar misschien heeft het één niets met het ander te maken. Bovendien zit ik links naast de bestuurder: het is weer zo’n tweedehands import uit Japan. Bij het begin van een inhaalmaneuvre zie ik dus de tegemoet komende vrachtwagens waar mijn chauffeur nog net voor langs wil schieten maar die hij nog niet eens gezien heeft.

Na het vallen van de nacht wordt het nog interessanter. De gaten in de weg zijn moeilijker te zien, andere auto’s en vrachtwagens hebben verlichting die verkeerd is afgesteld of het helemaal niet doet. Het komt voor dat we met honderd per uur de berm in moeten omdat een tegemoet komende vrachtwagen, om gaten te vermijden, midden op de weg blijft rijden en als antwoord op onze lichtsignalen vier grote lampen boven de cabine aanzet die ons het beetje zicht dat we hadden ontnemen.

En het blijft maar goed aflopen… Maar binnenkort ben ik in China en kan weer met de trein gereisd worden. Leve de trein.

image

Samarkand: drie madrassa's aan een historisch plein.


image

Samarkand


image

Samarkand: markt


image

Vóór een pas naar het Ferganadal.


image

Bij een uitzichtpunt. Chauffeur wuift: kom kijken!


image

Het Ferganadal lijkt droog, maar wordt na de eerste kilometers al snel vruchtbaar.


image

Typisch Oezbeeks brood op de markt in Andijan.


image

Op weg van Osh naar Bishkek.


image

Op weg van Osh naar Bishkek.


image

Op weg van Osh naar Bishkek.


image

3000 meter boven zeeniveau.