Was dit een half jaar geleden maar zo eenvoudig geweest… Toen liep immers mijn reis door Europa en Centraal-Azië stuk op de onverzettelijkheid van de nieuwe Chinese consul in Kirgizië, die de eisen voor een Chinees visum had opgeschroefd tot in het onvervulbare en die alleen visa uitgaf voor georganiseerde groepsreizen.

Nu, in Luang Prabang, waren we een paar uur bezig geweest met de aanvraag voor een Chinees visum, hadden we een vliegreis en hotelovernachtingen geboekt en meteen weer geannuleerd, hebben we een paar dagen moeten wachten en kregen we op de afgesproken dag zonder verdere plichtplegingen onze paspoorten weer terug – met toeristenvisum voor een maand.

Maar we waren nog niet klaar met Laos, want de maand die we in dit mooie, gemoedelijke land mochten blijven was nog niet om. En na bijna twee weken te zijn blijven hangen in één, terecht populaire plaats werd het echt tijd om eens te gaan kijken wat er verderop lag.

Verderop lag Nong Khiaw, een plezierig dorp aan één van de vele rivieren die het bergachtige noorden doorsnijden en een voor de hand liggende bestemming op een uur of vier, vijf rijden noordoostelijk van Luang Prabang. Charlotte kwam tijdens een wandeling die ze in haar eentje maakte in een nabij gelegen dorp waar alle kinderen haar begroetten met een enthousiast ‘sabaidi, what the fuck’, waaruit ze kon opmaken dat er zich al buitenlanders hadden bezig gehouden met het bijbrengen van wat eenvoudig Engels.

Van Nong Khiaw naar Muang Khua

Van Nong Khiaw naar Muang Khua

Het volgende traject voerde stroomopwaarts over de rivier, langs Muang Ngoy (dat na een uur varen door ongerept groen opdoemde als een verzameling guesthouses waar bijna enkel toeristen te zien waren en hierdoor zo absurd overkwam dat het me deed denken aan een scene uit de film Apocalypse Now, waarin de protagonisten het ver stroomopwaarts, diep in het woud gelegen dorp bereiken waar de gezochte kolonel zich heeft teruggetrokken en waar hallucinerende taferelen heersen) naar Muang Khua, waar de rivier een belangrijke weg kruist die Noord-Laos met Hanoi verbindt.

Waarschijnlijk eekhoorns. Zelfde afmetingen als verderop liggende exemplaren met de vacht nog aan.

Waarschijnlijk eekhoorns. Zelfde afmetingen als verderop liggende exemplaren met de vacht nog aan. Foto: Charlotte

We hadden ergens gelezen dat Muang Khua onder een trieste laag verval en vuil een zekere charme bezit en de moeite waard is om er wat langer te blijven. Zal best. Ik keek door de deprimerende laag heen en zag nog steeds alleen maar vuil en verval. We besloten zo snel mogelijk verder te reizen. Verder vervoer over water naar het noorden toe bleek, toen we de volgende ochtend op goed geluk bij de rivier gingen kijken (want niemand kon ons begrijpen, laat staan van informatie voorzien) niet mogelijk door laag water of een nieuwe stuwdam of misschien wel allebei, dus we gingen op zoek naar het busstation.

Daar stond één bus klaar, en volgens de chauffeur die erbij zat uit te rusten ging die de kant op waar wij ook heen wilden – drie uur later. Mooi. Een ritje van drie kwartier en we stapten uit in Pak Nam Noy, wat nauwelijks meer was dan een kruispunt en waar bussen naar het verder in het noorden gelegen Phongsali langs moesten komen. Tot ieders verbazing (ook die van de kaartjesverkoper die ons lusteloos had verteld dat er een paar uur later een bus zou zijn) kwam er een kwartier later een doorgaande slaapbus vanuit Vientiane langs, en liggend werden we in vijfenhalf uur over een smalle, bochtige en ten slotte onverharde weg vervoerd tot net buiten Phongsali, waar we vroeg in de avond aankwamen.

Onder het toeziend ogg van de kleuterjuf worden tanden gepoetst. Foto: Charlotte.

Onder het toeziend oog van de kleuterjuf worden tanden gepoetst. Foto: Charlotte.

Phongsali was, en is (we zijn er op het moment van schrijven nog steeds) een beetje een uithoek. De weg die ernaartoe voert gaat niet veel verder naar het oosten, de grens met China ligt niet ver naar het noorden, de bevolking bestaat uit etnische Chinezen en leden van de vele bergvolkeren die door de regio verspreid leven. We zijn intussen voldoende noordwaards gekomen en hoog genoeg in de bergen voor prettig warme dagen en koele nachten. Hier en daar is een restaurant met hoofdzakelijk Chinees eten en het overal verkrijgbare Beer Lao.

Bezig kleine mannekes de 'high five' bij te brengen. Foto: Charlotte.

Bezig kleine mannekes de ‘high five’ bij te brengen. Foto: Charlotte.

Het blijft wel Laos hè, een agrarisch, communistisch land. ‘s Morgens worden we om vijf uur gewekt door de per luidspreker over het dorp geblazen réveille, gevolgd door een paar minuten ochtendgymnastiek en enkele uren waarin volksmuziek afgewisseld met lange, door een vrouwenstem uitgesproken monologen. Kort nadat de trompettonen een einde maken aan de nachtelijke stilte zetten de talloze dorpshanen het op een schreeuwen, hoorbaar verbolgen omdat de mensen ze alwéér voor geweest zijn maar vastbesloten op hun beurt de komende dag aan te kondigen die trouwens, niet onder de indruk, nog twee uur op zich laat wachten.

Foto: Charlotte

Foto: Charlotte

We kwamen een bejaarde man tegen die wat hout aan het klein hakken was voor het vuur waarop een stoofpot stond te pruttelen. Wat erin zat: ‘cochon’, en hij liet ons een hok zien waarin wat jonge zwijntjes bewaard werden voor later. Negenentachtig, antwoordde hij op de vraag die we niet gesteld hadden, en hij had nog meegevochten in de strijd om de onafhankelijkheid in de vroege vijftiger jaren: ‘avec mon bataillon, un, deux, un, deux’.

Verderop, bij het beklimmen van een heuvel met heiligdom en uitzicht, nam de man die de toegangskaartjes verkocht voor het heiligdom de tijd om ons, met behulp van het Thais, een paar woorden Laotiaans bij te brengen. Waarom ook niet? Er was verder niemand, hij had alle tijd van de wereld. Het blijft Laos: een gemoedelijk land.

(Naschrift: ik open net de app van de NOS en zie bovenin gegevens voor Nederland: 4 graden, regen, 498 km file. Nederland is verder weg dan ooit…)

 

Op de achtergrond: stoofpot met 'cochon'

Op de achtergrond: stoofpot met ‘cochon’